milkyway

De kosmos heeft een plan

De wetenschapper die enkel gelooft in wat hij kan bewijzen, is als een wielrenner die in het donker een berg beklimt. Zijn hartslag is maximaal en hij staat op de pedalen. Als hij naar boven kijkt, ziet hij de top niet door de duisternis. Hij ziet niet hoe ver hij nog moet klimmen en zijn onwetendheid maakt hem moedeloos. Hij weet niet waar hij naartoe gaat. Zijn kennis brengt hem wel verder en de voorwaartse beweging is volgens Einstein essentieel om in balans te blijven maar diezelfde Albert Einstein wist ook dat zonder fantasie die kennis, hoe diepgaand ook, geen licht schenkt om de fietsende fysicus te leiden terwijl hij strijdt met de genadeloze berg. Om de top te kunnen zien, moet hij eerst begrijpen dat er dingen zijn die hij niet begrijpt. Hij moet zich weer laten verbluffen door de schoonheid van de kosmos.

De mens kijkt al vol verwondering naar het universum sinds de eerst Neanderthaler zijn grot verliet. Eerst verzon men mythes om de wereld te verklaren maar door de jaren heen maakte mythe plaats voor logos en met de komst van logos verloor de mens beetje bij beetje haar verwondering. Donder wordt niet veroorzaakt door Thor, die boos was of iets te vieren had, en met zijn hamer op de wolken sloeg, maar donder ontstaat omdat een bliksemschicht de lucht zo sterk verhit dat deze uitzet. Deze uitzetting veroorzaakt een geluidsgolf die door de waarnemer wordt ervaren als een opeenvolging van knallen. Bijna net zo leuk Thor met een hamer natuurlijk.

In het voorbeeld van de donder ligt al een causaal verband verborgen. Het is namelijk een wetmatigheid dat de lucht door een bliksemschicht zo sterk verhit wordt dat deze uitzet. Dat is niet toevallig, dat gebeurt iedere keer. Ook zal de uitzettende lucht iedere keer een geluidsgolf veroorzaken die iedere keer door de waarnemer wordt ervaren als donder. Hier is sprake van fysische causaliteit. Het zijn wetmatigheden en alle natuurwetenschappelijke wetmatigheden samen geven ons een goed beeld van hoe de kosmos werkt.

Natuurwetenschap verklaart hoe alles werkt maar geeft geen antwoord op de vragen des levens waar de spirituele mens zich in de 21ste eeuw mee bezighoudt. Waarom zijn we hier op aarde? Heeft ons bestaan een doel? Wat is een ziel? Wat is God? Hoe is het universum begonnen?

Voor antwoorden op die vragen moeten we kijken naar de metafysica, vaak liefdevol omschreven als de eerste filosofie. Deze tak van sport ontstond tijdens de overgang van mythe naar logos om de waardering voor de verbluffende schoonheid van het universum te duiden. De natuur doet niks zonder doel, dat wisten de Oude Grieken al, dus waarom zou ons bewustzijn, onze energie, onze ziel, wel doelloos opperen? De natuur, waar wij als Homo Sapiens onderdeel van zijn, is een nauwkeurig in elkaar passend geheel. De radertjes zijn zo goed op elkaar afgestemd dat het bijna onmogelijk is om nog te spreken van toeval en willekeur. Het is aannemelijk dat we leven in een deterministisch universum hetgeen indirect impliceert dat de kosmos een plan heeft.

Naast alle fysische wetmatigheden is er dus misschien ook wel een soort metafysische causaliteit. Dat blijft natuurlijk een speculatie in een wereld vol abstracties. In de metafysica kan niks worden bewezen want die kennis ligt vooralsnog buiten ons kenvermogen. Daarom zijn deze vraagstukken niet benaderbaar met rede en logica maar wellicht leveren studie, fantasie, meditatie en hallucinogenen overtuigingen op die de filosofische nieuwsgierigheid bevredigen.

Gelovigen kijken naar de schepping en roepen dan meteen dat ons prachtige universum wel het werk van God moet zijn. Zoveel schoonheid, daar moet een Goddelijke intelligentie achter zitten. Zij zeggen dat niet de kosmos een plan heeft maar geloven dat God een plan heeft en voor dat Goddelijke plan in zeven dagen de kosmos heeft gebouwd. We kunnen het ‘Wezen God’ niet ontkennen, noch kunnen we Zijn bestaan bewijzen. We zijn op dit punt veroordeeld tot onwetendheid. Ik wil wel aantekenen dat de religieuze invulling van het ‘Wezen God’ in mijn ogen niet juist kan zijn. Als Hij de kosmos heeft geschapen, in dienst van de mens, zijn favoriete schepping, zou hij dan, gelijk een sadistisch toeschouwer, toekijken hoe honger, corruptie, oorlog en milieuvervuiling zijn meesterwerk kapot maakt? Enkel omdat het voor hem amusant is om de mens een ‘Vrije Wil’ te geven? Dat kan ik niet geloven. Als er een alwetende God is, zal deze door zijn alwetendheid in essentie onverschillig zijn dus in plaats van een wraakzuchtige Godheid, zie ik een Onbewogen Beweger, los van tijd en ruimte, die de kosmos in gang heeft gezet en verder boven het verhaal staat.

De kosmos heeft een plan maar wat is de opzet? Het zien van dit kosmische plan brengt ons dichterbij antwoord op de vraag waarom wij hier op aarde zijn. Dat is de belangrijkste metafysische vraag. Ons kenvermogen heeft beperkingen maar er is een transcendente werkelijkheid waar wij soms een glimp van opvangen. Denk maar eens aan die tante die naar de dokter gaat voor een bultje in haar nek dat ze niet vertrouwt maar wat niks blijkt te zijn. Wel vinden ze bij datzelfde bezoek een verdachte moedervlek dat een kwaadaardig melanoom blijkt te zijn. Dat was niet ontdekt als ze niet naar de dokter was gegaan. Men spreekt hier vaak over toeval maar in een gedetermineerd universum bestaat geen toeval. Tante was niet op de juiste plek op het juiste moment. Dat bestaat niet. Net zo min als het slachtoffer van een roofoverval simpelweg op de verkeerde plek was op een verkeerd moment.

Ook de ontmoetingen met andere mensen zijn onderdeel van het kosmische plan. Het sterke gevoel dat ze voorbestemd zijn, is een tipje van die sluier. Alles wat gebeurt is afhankelijk van een oneindige serie oorzaken en dat maakt iedere ervaring bijzonder. Een ontmoeting is van zoveel factoren afhankelijk dat het statistisch erg onwaarschijnlijk is maar toch voelen ontmoetingen als onvermijdelijk en heeft ieder rendez-vous heeft een functie.

Het gevoel dat iets voorbestemd is, is een glimp van de transcendente werkelijkheid. Dat is metafysische causaliteit. Dat is een blik in het plan van de kosmos en dat zien we pas als we beter kijken. Als we meer tijd nemen en het leven met meer aandacht benaderen.

Als de mens niet vrij is en moet leven met een plan van de kosmos dat onmogelijk is om te kennen, leeft hij in een absurd en paradoxaal, maar niet vijandig, universum. De filosoof moet zoeken naar de onkenbare essentie want daar ligt het antwoord op de metafysische kernvraag; Waarom zijn wij hier op aarde?

Dat antwoord ligt vooralsnog buiten ons kenvermogen hetgeen het stellen van die vraag een redelijk zinloze exercitie maakt. Omdat de filosoof toch zoekt, is hij de echte absurde held. Hij zoekt naar de essentie met de zekerheid dat hij hoogstwaarschijnlijk niks gaat vinden.

Waarom moet hij dan toch zoeken? Hij moet zoeken omdat zijn zoektocht troost kan bieden. Metafysische filosofie kan dienen als verlichting voor de fietsende fysicus. Met deze filosofie kan hij de top van de berg kan zien. Het maakt zijn beklimming niet eenvoudiger, het slopende stijgingspercentage zorgt nog altijd voor brandende beenspieren, maar nu hij de top kan zien, wordt het lijden wel minder uitzichtloos. Daarom moet de metafysische filosoof zijn queeste documenteren. Zo zijn de filosofen een lichtpuntje voor de ploeterende fysici die kunnen accepteren dat er zaken zijn die hij niet kan begrijpen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *