Category Archives: Proza

When-people-ask-who-I-think-I-am

Post anaal depressief

Iemand zei: “Dit is Annabel. Ze moet nog naar het station. Jij hebt een auto, dan kun je haar toch wel even brengen?”

Ik heb inderdaad een auto en niet heel veel te doen, dus dat kan best

Laten we eerst mijn cartooneske bestaan tot het moment dat iemand Annabel aanwees even pornofraseren. Pornofraseren is de beste manier om mijn liefdeloze leven als pornoacteur samen te vatten.

Ik heb geneukt op alle mogelijke manieren die met liefde niks te maken hebben. Het was vies. Het was onverschillig. Het was soms in groepsverband. Ik ben gepijpt door iedere leeftijdscategorie die nog enigszins warm was. Ik heb seks gehad met lilliputters in alle kleuren van de regenboog, en een eindeloze rij van dikke, kansloze blondines in de kont geneukt. Duitse blondines, Franse blondines, Tsjechische blondines, Britse blondines, Zweedse blondines, Vlaamse blondines en natuurlijk Hollandse blondines. Ze schreeuwen allemaal op dezelfde manier als je de artiesteningang forceert. En ik hou niet eens van anale seks. Ik ben wel fan van meisjes die soms de achterdeur open zetten, maar ben zelf absoluut geen fanatieke bipsridder.

Ik verhuisde naar California want dat zou het beloofde land zijn, het Israël van de pornoindustrie. En toegegeven, het was daar eventjes leuk, eventjes spannend, eventjes geil, maar na een poosje denk je, als je gepijpt wordt door drie wijven, die alle drie Holli –met een i heten,- aan je favoriete snackbarsnacks, en maak je in je hoofd een top drie. Ik miste de Frikandel Speciaal, de Bitterbal, en de Kapsalon, hoewel dat niet echt een snackbarsnack is, en keerde terug naar Nederland waar de producties nog ongeïnspireerder en groezeliger waren geworden in mijn absentie. Kijk maar eens een stukje polderporno met Kim Holland en je snapt wat ik bedoel. Die heeft geen ziel. Dat kan niet.

Vorige week moest ik, in een clownskostuum, zonder reiskosten, naar fucking Kerkrade om daar, met zeven andere mannen, een net achttien jarig meisje aan het huilen te maken, vast te binden, en gezellig in haar gezicht te ejaculeren. Voor dat Limburgs grietje was dit schijnbaar een fantasie. Voor mij, ik was clown nummer drie, was het een moment om iedere beslissing die ik ooit heb genomen in twijfel te trekken.

Ik word er kotsmisselijk van. Het zou een tijdelijke job zijn. Ik zou het een jaartje doen. Misschien twee of drie, daarna zou ik promoveren naar een soap of sitcom, maar nu is het ruim vijftien jaar later, weet iedereen dat ik echt niet kan acteren, en zijn de vieze wijven niet meer te tellen.

De walging voor mijn liefdeloze malaise, probeer ik in mijn vrije tijd te verjagen met Blauwe Chimay, heel veel wiet, South Park, Forza Motorsport op de X-Box, en retroporno uit de jaren zeventig en tachtig. Daar masturbeer ik op en dat noem ik trainen. Niet dat ik geil op tennissokken en snorren en rughaar, of op enorme bossen schaamhaar waar een vrouw achter zou moeten liggen, maar omdat ik weet dat het AIDS-virus die hele generatie acteurs en actrices lachend heeft uitgemoord.

Tot zover de pornofrasering.
Iemand stelt Annabel aan me voor.

Ze herkent me maar kan me niet direct plaatsen.
Dat zie ik aan de lege, schaapachtige blik als ze eventjes te lang mijn hand vasthoudt. Het gebeurt vaker als ik mijn broek aan heb.
“Mag ik ook zo’n flesje bier voor ik naar het station ga?” Ze wijst naar de Blauwe Chimay en gaat zitten.
“Dat is trappist,” mompel ik.
“Mag ik ook zo’n flesje trappist voor ik naar het station ga dan.”
Ik zucht en en sta op.
In de rommelige keuken open ik een nieuw flesje en spoel een glas af. Ze volgt iedere beweging met haar ogen. Ik voel het.
“Heb ik je ooit op televisie gezien?,” vraagt ze als ik weer ga zitten.
“Dat kan.”
“Heb je in een reclame gespeeld of zoiets?”
“Ja… Of zoiets.” Ik steek nog een keer mijn jointje aan.
“Je hebt zo’n bekend gezicht,” zegt ze en probeert al wuivend de rook te verjagen.

Het is raar om te zeggen dat ik een bekend gezicht heb want want in het merendeel van mijn films komt mijn bakkes niet in beeld. Het gaat niet om mijn hoofd. Ik ben slechts een hulpmiddel om de vieze pornopopjes op hun mooist te tonen. Niemand kent mij echt. Niemand weet welke kleur mijn ogen zijn. Niemand weet dat ik de lekkerste eiersalade ter wereld maak. Niemand weet dat ik het liever koud heb dan warm. Niemand weet dat ik vroeger eigenlijk bobsleepiloot of boswachter wilde worden.

“Je hebt echt bizar lange wimpers. Weet je dat?”

Ik kijk naar Annabel. Het is een mooi meisje met blond haar. Het type tennisles en stijldansen. Niemand heeft ooit gezegd dat ik bizar lange wimpers heb. Zeker niet zo’n meisje waar nog glans op zit. Die nog klasse heeft. Annabel faket haar orgasmes niet. Dat weet ik zeker. Vooruit, ze faket haar orgasmes niet zo luidruchtig en theatraal. Annabel is niet pornomooi maar meer bibliotheekmooi.

Het is een meisje met een HAVO-diploma dat in haar vrije tijd een klarinet of een dwarsfluit vingert. Geen meisje om in haar mond te spugen. Ik heb dat niet, die HAVO-glans. Niet dat ik de sluitpost der menselijke intelligentie ben, maar zelfs in een pornofilm ben ik geen geloofwaardige bolleboos.

Ik wil haar een compliment wil maken over haar prachtige bruine ogen maar ze trekt een beetje een vies gezicht. Ze ziet het.
“Jij bent Big Willy, The Fucking Dutchman,”stamelt ze.
Ik knik. Shit. Ik ben ontmaskerd.

Nu gaat Annabel vragen of ze mijn piemel mag zien. Dat gaat altijd zo. Dat hoort bij mijn vak schijnbaar. Ik word niet op feestjes uitgenodigd omdat ik zo’n gezellige vent ben, maar omdat ik na een paar borrels mijn lul op de pooltafel leg als dat gevraagd wordt. Ze kijken naar mijn kruis alsof het gemaakt is van Nutella. Als meisjes mij bellen om te zeggen dat ze in een bubbelbad zitten, willen ze niet praten over Zaratoestra, maar willen ze de inhoud van mijn broek bestuderen. Ik ben een leuke avond die je niet mee naar huis neemt om voor te stellen aan papa en mama.

Ik ben een pik op pootjes. Wat ik denk, wat ik voel en wie ik ben is niet belangrijk. Niemand koopt met mij een gezinswagen. Ik heb wel een paar keer in een gezinswagen gezeten maar toen speelde ik een vader die de babysitter naar huis moest brengen en betrapt werd door de moeder van de babysitter… Jullie weten wel hoe dit pornosprookje verder gaat. Ik wil dat niet meer. Ik wil niet meer neuken.

“Mijn bier is op. Breng je me even naar het station?”

Ze neemt nog een slok en kijkt me aan. Hoe meer ze drinken, hoe moeilijker het is om mijn broekje aan te houden en ik wil mijn broekje aan houden. Ik moet mijn broekje aan houden. De tijd dat ik mijn broekje uit trek voordat ik over mijn voorliefde voor Franse existentialisten toelicht, moet echt voorbij zijn.

In de auto draait Annabel het raampje open om te ontsnappen aan de indringende wietlucht. Het is best een mooi meisje en het is best een mooie dag maar toch zou ik liever in bed liggen nu. Alleen.
“Waar ga je naartoe?” vraag ik.
“Parijs,” antwoordt Annabel.
“Leuk.”

Er valt een stilte. Het is de ongemakkelijke variant. Het gesprek slaat dood als een glas bier waar een pinda in valt. Ik wil met haar mee. Niet dat ik haar overdreven leuk vind, of per se naar Parijs wil, maar ik wil gewoon weg. Ik doe nooit wat ik zelf wil. Ik zit iedere dag in de sportschool terwijl ik liever een boek zou lezen. Het hoeft dan niet eens een goed boek te zijn. Het mag ook best iets van Dan Brown of Stephen King of John Grisham zijn maar zelfs Harry Potter  is me vijftig tinten niet gegund.

Annabel stapt uit en bedankt me voor de rit naar het station. Ik krijg drie zoenen op mijn wangen. Ze zegt dat ze het leuk vond om me te ontmoeten maar vraagt me niet mee naar Parijs. Natuurlijk niet. Ik kijk haar na. Ze zal nooit van me houden. Dat soort meisjes gaan nooit van mij houden.

Shit zeg. Ik moet echt een andere hobby zoeken. Eentje waarbij ik mijn kleren aan mag houden. Volgende maand word ik 36 en dan is het legaal om meisjes te neuken die half zo oud zijn. Dan ben ik echt een oude viezerik.

Eerst gaat overmorgen mijn miserabele carriere gewoon verder. Dan moet ik een habijt aan en staat er een Aziatische tweeling uit Luik op het menu. Met een paar andere kerels. Ik ga echt eens vragen of zij wel reiskosten krijgen.

Annabel zwaait niet eens.

 

socrates2

Het eerste evangelie van de laatste Rock ‘n Roll-filosoof

Toen ik zeker wist dat een voetbalcarrière niet tot de mogelijkheden behoorde, ben ik wiet gaan roken en zoals alle Stoners, wilde ik de wereld verbeteren.
De wereld verbeteren. Ik nam nog een trekje van mijn epische joint en besefte dat een beter milieu altijd begint met een idee. Dus ging ik wijsbegeerte studeren.

Helaas leerde ik op de universiteit dat de filosofie was gedegradeerd van moeder aller wetenschappen tot een obscure bezigheid voor oude mannen in leren leunstoelen die elkaar in donkere achterkamertjes aftrekken door eindeloos te herhalen hoe slim ze zijn.

Ik besloot toen dat het mijn missie moest worden om filosofie terug te geven aan het volk want als iedereen een beetje beter na zou denken over wat ze doen en wat ze zeggen, zou de wereld een leukere en vooral een betere plek zijn.

Ik ben ’s werelds laatste Rock ’n Roll-filosoof. Een leider zonder land. Een Messias zonder vader. Een priester zonder kerk. Een cynische, retorisch gewelddadige wijsgeer die oreert over een betere wereld. Een wereld zonder God. In de geest van Socrates –de eerste Rock ’n Roll-filosoof en oervader van de godslastering– preek ik een antitheïstisch Evangelie.

Kritiek leveren op georganiseerde religie is het fundament van een vrije samenleving. Om de mensheid te helpen is het belangrijk om in absolute vrijheid de georganiseerde religies te hekelen.

De wereld wordt beter als er satirische tekeningen over de profeet Mohammed, die een geit of een schaap neukt, worden gemaakt. Misplaatste grappen over urine en het vergaste lijk van Anne Frank mogen niet als ‘strafbaar antisemitisme’ worden bestempeld en walgelijke vergelijkingen tussen de buitenschoolse activiteiten van katholieke priesters enerzijds en Robbert M. of Marc Dutroux anderzijds, mogen gewoon gemaakt worden.

Nee, die moeten gewoon gemaakt worden.
Flikker maar op.

Het maakt niet uit wiens tere gevoelentjes gekrenkt worden. Het is mijn plicht, als de laatste Rock ’n Roll-filosoof, om de mensheid te bevrijden van het juk der religie. We mogen niet langer onverschillig aan de zijlijn blijven staan en de strijd overlaten aan haatbaardjes aan de ene kant en stropdasjes aan de andere kant.

De haatbaardjes moorden in naam van de almachtige Allah. Een theedrinkende Arabier met zijn vinger in het poepertje van een minderjarig meisje en een paar dozijn maagden die smachten naar een martelaar.

De stropdasjes zwaaien verontwaardigd met het hun wetjes en regeltjes. Zo willen ze ons allemaal binnen de lijntjes laten kleuren als brave consumentjes. Alles staat bij hen in het teken van de Vrije Markt en van Economische Groei. Een aanslag als in Parijs? Dat is slecht voor het toerisme. Slecht voor de middenstand. Slecht voor de economie.

Dat soort inspiratieloze neoliberalen wil je niet laten meedenken over het inrichten van een aangename, tolerante, solidaire samenleving. Dat moet je overlaten aan mensen die er godverdomme voor hebben doorgeleerd. Je gaat zonder medische opleiding ook niet snijden in iemands lichaam en zonder zwemdiploma ga je niet vliegen in een helikopter.

Ten tijde van Socrates, de eerste Rock ’n Roll-filosoof, lieten de autoriteiten je nog uit de gifbeker drinken als je kritiek leverde op God. Maar toch leverde hij die kritiek. Toch bleef hij tot het einde toe trouw aan zijn overtuigingen en dronk die gifbeker leeg. Wat een held. Hij zou niet misstaan op de redactie van Charlie Habdo maar helaas is er na Socrates nog altijd geen zak veranderd. Je kunt anno 2015 beter zeggen dat je kinderen verkracht of zeehondjes doodknuppelt dan God beschimpen.

Want als je kritiek levert op geloof, staan er altijd wel een paar zotte haatbaartjes met schietgeweertjes op om een bloedbadje aan te richten. De wereld is niet veilig maar dat is ze nooit geweest. Je hebt altijd het risico gelopen om slachtoffer te worden van de religieuze geldingsdrang en zolang er overtuigingen zijn om voor te sterven, zul je altijd dit risico blijven lopen. De oorlogsretoriek van de laffe stropdasjes die wij onze leiders noemen, zorgt alleen maar voor een vals gevoel van veiligheid. Een schijnveiligheid.

Iedereen vindt zo’n terroristische aanslag als in Parijs zo moeilijk te bevatten en dat is raar want het is helemaal niet moeilijk te bevatten dat in naam van religie onschuldige mensen worden vermoord.
Dat doen religieuze fanatici al duizenden jaren.
Het feit dat nog altijd niemand durft te zeggen dat juist de georganiseerde, monotheïstische religies de kern van deze kwestie zijn, is een probleem. Nee, dat is hét probleem. Dát is niet te bevatten. Mensen blijven maar troost zoeken bij de illusie van een Opperwezen en lijken niet te willen begrijpen dat we juist daarom zijn overgeleverd aan de gewelddadige excessen van een aantal intolerante, gewelddadige en radicale geloofsgemeenschappen die ons gijzelen ons met angst.

De religies spelen handig in op de menselijke behoefte om hun identiteit ergens aan op te kunnen hangen en indoctrineren de domme massa om hun levensbeschouwelijke visie als superieur te beschouwen met als gevolg dat men stopt met zelf nadenken.

Sommige van die achterlijke gelovigen, – die met die rare hoedjes op hun fontanellekes, – mutileren hun kroost door ze te besnijden. Dit doen ze natuurlijk niet voor de hygiëne maar omdat hun vrouwen niks kunnen weerstaan waar tien procent vanaf is. De haatbaardjes vereren een profeet die zich op regelmatige basis vergreep aan minderjarige geitjes. Ze verbieden vrouwen om auto te rijden, gooien homo’s als straf voor hun geaardheid van een hoog gebouw en stenigen iedereen die anders denkt.

Om over de Christenhonden nog maar te zwijgen.

Zij stellen abortus en euthanasie gelijk aan moord, maar verdedigen wel hun kinderverkrachtende dienaren in plaats van godverdomme de onschuldigen te beschermen. Twee Weesgegroetjes en wat Onzevaders en ze zijn weer vergeven.
Nee. Religie is voor imbecielen.
Het heeft de afgelopen drieduizend jaar meer slecht dan goed gedaan en verdient absoluut geen respect meer. Toch moeten we religie, hoe kolderiek, krankzinnig en lachwekkend dat concept ook is, niet verbieden want verbieden druist regelrecht in tegen alles waar we in geloven als het gaat om vrijheid.

We gaan dus ons best doen om alle gelovigen uit hun tempel te pesten. Als mensen graag willen geloven in een illusionair opperwezen, mag dat best, maar iedereen is vrij om dit geloof te ridiculiseren, te bagatelliseren en door middel van satire te marginaliseren.

God is een menselijk verzinsel. Net als Nijntje, Pinkeltje, De Telegraaf en de Fabeltjeskrant. Daar mag niet voor gemoord worden. Ik snap dat het een enorme geruststelling is om alle verantwoordelijkheid voor de keuzes tijdens het leven voor de dood af te schuiven op de wil van God maar dat is lui. Dat is laf. We moeten accepteren dat we alleen zijn in een goddeloos universum en dat iedereen verantwoordelijk is voor zijn of haar eigen keuzes.

Het is voor de mensheid goed om rond te dwalen in de duisternis met als enige zekerheid dat je helemaal niks weet. De dolende zielen worden gedreven door curiositeit en zoeken naar antwoorden om de mysteries van de kosmos te ontrafelen. Zij proberen op die manier zelf de grote vragen van het leven te beantwoorden. De vragen die er echt toe doen.

Vragen als – Waarom zijn we hier? Gebeuren dingen met een reden? Hoe kan ik leven als een goed mens?-
Zelf het antwoord op zoeken. Dat is ieders eigen verantwoordelijkheid.

Zelf zoeken is altijd beter dan een religieuze invulling te accepteren als ‘De Waarheid’ en volgzaam te worden. De oerkracht van de mensheid is een eeuwige behoefte aan nieuwe en betere kennis over het universum en religie onderdrukt deze natuurlijke nieuwsgierigheid door te zeggen dat zij de waarheid zijn.

Israël, het Derde Rijk, het Kalifaat, het heilige Roomse Rijk, het zijn allemaal dystopische waanideeën die met geweld aan ons worden opgedrongen. ISIS is een idee en een idee kun je niet bombarderen. Je kunt het enkel vervangen door een beter idee. Vrijheid, gelijkheid en broederschap bijvoorbeeld. Daarom is ISIS bombarderen voor de lieve vrede, godverdomme net zo zinloos als jonge meisjes neuken voor de lieve maagdelijkheid.

De angst mag niet overwinnen. We mogen ons niet laten beïnvloeden door een paar opgefokte Haatbaardjes in een jurk met een bomgordel en een schietgeweertje. We moeten nu niet inspiratieloos mee gaan dansen in hun neerwaartse spiraal van haat en geweld maar geloven in de kracht van onze vrijheid. De kracht van onze humor en onze argumenten. Zij hebben wapens nodig om hun gedachtegoed te kunnen verkopen. Wij hebben Hans Teeuwen.

De aandachtsgeile Haatbaardjes met bomgordels zijn niet links of rechts. Ze zijn geen christen, jood of moslim. Geen homo of hetero. Geen man of vrouw. Het zijn gewoon fucking Haatbaardjes. Haatbaardjes die samenwerken met andere Haatbaardjes wiens enige prestatie het is om een baard te laten staan. Ze geloven in een falend idee en hun strijd is gedoemd te mislukken.

De Haatbaardjes vallen namelijk Parijs aan. Ze vechten een ideologische oorlog met een volk dat genieten van het leven tot religie heeft verheven. Een oorlog tegen de uitvinders van Joie de Vivre.

Sta je best wel voor lul met je Sharia.

Een oorlog van cultuur, overtuigingen en levensstijl met Frankrijk, verlies je altijd. Van Michel de Montaigne, Marcel Proust en Edith Piaff tot Albert Camus, Jean-Paul Sartre, tongkusjes, chansons en Bordeauxwijnen en fliterloze Gauloises en chocoladecroissants… En dat liedje voor Dana.

Een volk dat een stuk of zes verschillende namen heeft voor een tosti. Een croque monsieur of een croque madame of een croque jeanette. – Dat zijn twee tosti’s op elkaar. – Dat vind ik grappig.

Je leeft pas echt als je ’s zomers ontbeten hebt in de Provence met de geur van lavendel en de warme wind van de Middellandse Zee in je bakkes.

Hou dus godverdomme allemaal op met bidden voor Parijs of voor Beiroet of voor de Palestijnen of voor welke brandhaard dan ook, maar leef alsof morgen niet bestaat en heb lief tot je tenen tintelen. We moeten zondigen. Vreet, zuip, snuif, rook, slik, spuit en neuk tot we allemaal geloven dat er geen groter goed is dan vrijheid, gelijkheid en broederschap.

Een dikke middelvinger naar religie want zij is met haar pretentieuze antwoorden hoofdverantwoordelijk voor de idioten die naar de wapens grijpen om hun subjectieve visie op ‘De Waarheid’ te verdedigen.

Je zult geen humanist met een Kalesjnikov door de straten zien lopen, geen atheïst zal met een bomgordel een sportwedstrijd bezoeken en geen Evolutionist zal zichzelf opblazen in naam van de almachtige Charles Darwin.

We worden gegijzeld door een hele logische angst voor geweld en het ontbreekt onze leiders aan een eigen visie. Zij wijzen naar onze ‘Joods-Christelijke traditie’ en helpen op die manier ook niet echt mee met het zoeken naar hoop en liefde in een wereld zonder God. De ‘Joods-Christelijke traditie, de VOC-mentaliteit, Het zijn holle kreten. Hou daar godverdomme mee op.

Flikker op met je moraal. Moraal is een instrument van de zwakkeren om de sterkeren te onderdrukken. Flikker op met je fatsoen. Als wij niet meer mogen roepen dat we gepijpt willen worden door de meiden van Halal omdat er dan Fatwas uitgedeeld worden alsof het chlamydia is, hebben we feitelijk al verloren.

 

chocopops

Chocopops en ochtendseks

Er zijn in dit leven twee dingen die ik heel goed kan. Ik draai de meest fantastische jointjes en kan een behoorlijk potje beffen. Als men daar Olympische sporten van zou maken, zou ik meestrijden om eremetaal op alle afstanden. Ieder jointje is een meesterwerk waar ik, voor het roken, eventjes geheel volgens traditie een moment ademloos naar moet kijken, en ieder meisje dat ik bef, denkt dat ik vroeger zelf een kutje had maar dat is niet zo.

Voor mij is niks mooier dan een vrouw die, als we de volgende ochtend koffie drinken en een sigaret roken, nog altijd orgastisch aan het tintelen is en aangezien ik geen wereldschokkende piemel heb, sneller schiet dan mijn schaduw en niet kan vingeren, heb ik de kunst van het beffen geperfectioneerd. Ik trek een ritme uit de kast waar menig vibrator jaloers is, kan de genoegzame kreuntjes van een vrouw lezen en heb geen landkaart nodig om met mijn tong de meest gevoelige plekjes te vinden. Ik ben de Kittelaar Fluisteraar.

Genoeg introductie, tijd voor een verhaaltje. Ik stond op een koude winteravond voor een kroeg in Delft want koude winteravonden zijn er om verzopen te worden in speciale biertjes. Ik praatte met een vrouw die begreep dat ik een rare vogel was want ze was zelf ook een beetje vreemd.

“Ik vind dichters maar luie schrijvers,” zei ik redelijk hooghartig terwijl ik een sigaret voor haar op stak.
“Oh ja joh?”
“Eeh… Ja. Dichten is een hobby voor menstruerende tienermeisjes met liefdesverdriet.”
“Ik houd ook niet zo van die experimentele woordkots.”
Ik wilde eigenlijk de term experimentele woordkots met applaus ontvangen maar hield me in en twee mysterieuze biertjes later stonden we te praten over seks. Ik kan namelijk alleen maar zeiken over luie schrijvers en praten over seks.
”Ik heb geen seks met een vrouw die ik net ontmoet”, verzekerde ik haar met enige hoogmoed.
Volgens mij hoorde ze dat niet zo heel vaak maar je hebt principes of je hebt principes en ik heb godverdomme principes. Of ja, één principe. Dat dus.
“Oh ja joh? Normaal gesproken doen mannen hun best om in mijn slipje te mogen. Jij doet nu dus al je best om uit mijn slipje te blijven.”
“Als je het zo zegt, klinkt het een beetje gay.”
Ik liet een moment van stilte vallen voor het dramatisch effect.
“Ik hoop niet dat ik je beledigd heb.”

Als antwoord lachte ze even naar me en ik besloot haar in een vlaag van dronken overmoed te zoenen. De kabouter die mijn laatste Choefke bracht, had me ingefluisterd dat ze daar al een tijdje op stond te wachten en de kabouter had gelijk. We rookten tussen het tongen door sigaretten die ik voor haar op mocht steken en besloten in overleg dat we goed konden tongen. Ik dacht daar achteraan dat ik een hekel had aan tongen als werkwoord.
“Wat doe je eigenlijk in het dagelijks leven?” vroeg ze voor ik mijn afschuw uit kon spreken.
“Ik schrijf ontmoetingsverhalen voor jongens en meisjes die elkaar via Tinder leren kennen. Die zoeken vaak een origineel verhaal om te vertellen als er gevraagd wordt naar hun eerste ontmoeting en dat verzin ik.”
“Oh ja joh? Is daar geld mee te verdienen?”
“Eeh… Ja. Zolang er wanhopige vrijgezellen zijn, verdien ik een aardige boterham.”
“Oh ja joh?”
“Eeh… Ja. Ik kan er een leuke auto van rijden.”
“Ik haat kerels die hun autosleutels op de bar gooien en dan verwachten dat je achter ze aan drijft maar als je dan die stoelverwarming op je doos voelt en je slipje uit wil trekken, beginnen ze meteen te zeiken over het leer.”
“Mijn 911 is oud. Daar hoef je niet per se een slipje te dragen.” Ik stak nog een sigaret voor haar op.
“Goed om te weten. Ik heb eigenlijk wel honger.”
“Ik ook. Zullen we ergens een frietkot zoeken?”
“Patat is niet goed voor je.” Ze keek even naar mijn buik en klopte twee keer op de hare. “Ik heb een beter idee.”
“Een nog beter idee?”
“Okee… Vooruit… Ik heb een ander idee.”

Veertig minuten later zaten we vier hoog in haar ruime appartement aan de keukentafel overgebleven zomerbiertjes te drinken en sigaretten te roken. Haar idee was om met allerlei groenten zelf vegetarische loempia’s te maken en dat stilde de honger ook maar ik vond het geen beter idee dan een frietje saté met mayonaise en een frikadel speciaal.

Het miste, zoals wel vaker bij vegetarische shit, een stuk vlees. Ik las haar verhaaltjes voor die ik geschreven had en zij las mij verhaaltjes voor die zij geschreven had. We bleken allebei pornotekstschrijver voor tekenfilms en genoten van gelijkgestemd gezelschap. Ik zou de logeerkamer gaan bevolken want ik had mijn laatste trein gemist en heb uit principe geen seks met een vrouw die ik net ontmoet heb, maar even later stonden we toch te zoenen in haar slaapkamer en verloren we in rap tempo onze kleding.

Ik legde haar op bed en toen ik haar slipje kuste, bedacht ik me dat dit de enige keer was dat ik voor het eerst haar slipje uit zou trekken. Ik genoot even, twee kusjes op het vochtige kant lang, van deze overdenking en verwijderde bijna plechtig voor de eerste keer het laatste stukje stof dat haar lichaam bedekte. Ik moest even zoeken want het was allemaal nieuw, gelijk een gitaar die je moet stemmen als je er voor de eerste keer op speelt, maar aan haar bescheiden gekreun en trillende lijf te voelen, kon ik me twintig minuten later nog altijd de beste beffer van Brabant noemen.

Mijn ene principe om niet te neuken met een vrouw die ik pas ontmoet heb, bleek in de praktijk wederom moeilijker te handhaven dan de theorie eerder die avond deed vermoeden. Gelukkig stelde ze me gerust met de mededeling dat ze geen condooms in huis had en niet aan de pil was. Ik was te moe en te dronken om het beroemde ‘voor het zingen de kerk uit’ wetenschappelijk te onderbouwen dus kropen we knus tegen elkaar aan en kon ik me nog even laven aan mijn ene principe.

Ik kriebelde haar over haar rug en noemde haar moppie omdat ik haar naam even vergeten was en de sfeer niet wilde verzieken door verkeerd te gokken. Ik was haar naam niet helemaal vergeten, ik wist in welke hoek ik moest zoeken. Het was Kirsten of Kristen maar een naam onthoud je nooit half. Je weet het nog of je weet het niet meer. Meisjes die Kristen heten willen helemaal geen Kirsten genoemd worden en dat geldt natuurlijk ook andersom. Ze keek even op maar liet het lopen. Volgens mij was ze bang dat het morgenvroeg al ongemakkelijk genoeg zou zijn en dankbaar besloot ik snel een ander onderwerp aan te snijden.

“Wist je dat het in Denemarken illegaal is om je vrouw lelijker dan haar moeder te noemen?”
“Oh ja joh?” –Rotterdammers zeggen dus vaak oh ja joh.-

“Als ik toch zeg dat ik hier de waarheid lig te vertellen, waarom zou ik daar dan om liegen?” –Brabanders gebruiken altijd waterdichte logica om het gebrek aan argumenten te verdoezelen.-

Ze moest zachtjes grinniken om dit hoogstaand stukje retorica van de zandgronden, zoende me nog een keer op mijn borst en viel in slaap. Luisterend naar haar regelmatige ademhaling, begon Julie Andrews in mijn hoofd te zingen over haar favoriete dingen. Dat gebeurde altijd als ik naast een prachtige naakte vrouw lag te wachten op mijn slaap en zoals iedere keer wilde ik haar zo snel mogelijk verjagen want ik haat het geluid van muziek. Ik dacht aan mijn favoriete dingen want die zouden zeker niet in dat vervloekte liedje zitten. Zij zingt over regendruppels op rozenblaadjes, crèmekleurige pony’s, warme wanten en lachende kittens of zoiets. Daar heb ik allemaal schijt aan. Mijn favoriete dingen zijn Chocopops en ochtendseks. Voor ochtendseks kun je me ’s nachts altijd wakker maken. Naakt, gewillig en met Chocopops natuurlijk want ontbijt is belangrijkste maaltijd van de dag.

tr-navelpluis-090307

De dood van Giacomo Marters

“Het leven is te kort om met lelijke vrouwen te dansen”, mompelde ik binnensmonds terwijl ik naar de blondine naast me keek, mijn wodka opdronk en dacht: schijt aan.

Echt lelijk was ze niet maar ze zou geen volle zalen meer trekken of wedstrijden winnen met haar schoonheid. Haar gezicht was symmetrisch, ze had zo’n Madonnapukkel boven haar lip en kuiltjes in haar wangen. Haar lichtblonde haar was nog lang en hing in regelmatige krullen tot over haar schouders en haar amandel-vormige ogen waren donkerbruin van kleur. Haar neus was wat aan de grote kant en de tijd had diepe krassen getrokken in haar huid maar deze mevrouw was vroeger een mooi meisje geweest. Dat moet haast wel.

De glanzende onschuld, die zo kenmerkend is voor jonge meisjes, was er in de loop der jaren door lompe minnaars genadeloos vanaf geneukt maar ze vocht nog altijd dapper door met de haar door God gegeven wapens; een volle B-bibs en grote tieten.

Door het diepe decolleté van haar te korte jurkje lagen haar tieten halfbloot als witte knollen op de bar te wachten tot ik er mee zou gaan worstelen. Ik nam me voor om later haar beha aan te houden want dan wist ik zeker dat haar tieten niet in de weg zouden gaan hangen. Daar waren ze groot genoeg voor.

Ik kende haar naam niet maar haar reputatie wel. Ze zat vaker aan de bar van dit donkere café bij het spoor en liet zich trakteren door wanhopige mannen die hoopten hun kwakje in haar te mogen lozen.

De oudere kerels van het dorp hadden me verzekerd dat de blondine aan de bar alles neukt wat een lul heeft en de wodka maakte haar steeds begeerlijker. Mijn ballen waren zwaar en de alcohol maakte ze steeds zwaarder. De psychopathische zenuwtrek bij haar linkeroog ontging me volledig toen ik haar aansprak.

“Wil je iets van me drinken?” Brabbelde ik met dubbele tong terwijl ik steun zocht bij de bar. Ze giechelde en deed een plukje blond haar achter haar oor terwijl ze verlegen naar beneden keek. Het waren kleine gebaartjes die jonge meisjes aandoenlijk maakte maar bij deze belegen blondine was het meer grotesk dan vertederend. Ze knikte en met een simpel handgebaar liet ik de norse barman haar glas vullen met de zoete likeur waar ze hele avonden van nipte. Ik kreeg nog een glas wodka en ze kwam vlak naast me staan. Ik kon haar ruiken. De dikke wolk parfum in combinatie met de zoete likeur en de oude rook van zelfgedraaide filtersigaretten, deden mijn hersens op onnavolgbare wijze een halve meter naar beneden zakken.

“Heb je een vuurtje voor me?” Ze klonk een beetje hees en liet de sigaret zweven tussen haar wijs- en middelvinger. Ik klapte mijn Zippo open, stak haar sigaret aan en nam er zelf ook eentje. Clichévragen als ´kom je hier vaker´ of ´kennen wij elkaar niet ergens van´, zouden slaan als een lul op een drumstel maar ik hoefde ook niet de goede vragen te stellen om haar dadelijk heel vies te mogen neuken. Ik zag de goedkope geilheid in haar ogen. Ze had de beslissing al genomen en ik dronk tevreden mijn wodka.

Haar gezicht was dof van de dikke laag make-up waarmee ze poogde haar aftakeling te verbergen. Normaal gezien was dit geen vrouw waar ik heel erg warm van zou worden en hoewel ik dacht dat de tijd dat ik met walging en schaamte wakker werd in een vreemd bed achter me lag, de wodka dacht daar heel anders over. Het had een hartslag, het was nog warm en het diende geneukt te worden want mijn dronken ballen waren zwaar. Dat ik de chlamydia en de gonorroe bijna kon ruiken, maakte niet meer uit.

Twee sigaretten later vroeg ze of ik met haar mee naar huis wilde lopen want ze woonde in het bos en durfde niet alleen. Ik rekende af en liep achter haar dikke reet aan naar buiten. We staken het spoor over en liepen het donkere bos in. Haar huis lag goed verstopt op een plek waar niemand mijn geschreeuw zou kunnen horen.

De stank in haar kleine huisje was dik en zwaar. De ramen waren dichtgespijkerd, de houten kozijnen rot en het behang hing los van de muren. Er stonden een paar oude leren banken op een vies tapijt in de woonkamer en in de hoek stond haar bed.

We werden begroet door een magere, grijze naaktkat met een blauw oog en een bruin oog. Het was geen hartelijke begroeting want het beest blies naar me en werd zonder pardon terug naar binnen geschopt waar hij meteen in zijn mand bij de kachel kroop en me vanaf die plek aan bleef staren alsof ik eetbaar was.

De blondine liet er geen gras over groeien en duwde me op de bank waarna ze op mijn schoot klom en haar tong in mijn mond stak. De zoete likeur maakte haar kussen smerig en ik slikte een zure oprisping terug richting mijn maag. Ze trok mijn shirt uit en stak haar vinger in mijn navel waardoor ik stopte met zoenen.
“Wat ben je aan het doen?”
“Ik ben jouw navelpluis aan het delven.”
“Waarom?”
“Daar maak ik kussentjes van.”
“Wat?”
“Ik maak kussentjes van navelpluis.”
“Waarom?”
“De kussentjes van navelpluis beschermen me tegen nachtmerries.”
Nu had ik in mijn leven veel onzinverhalen gehoord maar deze kwam met stip in de top tien. Ik probeerde in te schatten of ze me in de zeik nam maar ze leek me niet te zien. Ze hield haar hoofd een beetje scheef en keek met grote ogen dwars door me heen. Ik wilde ineens heel graag weg.
“Misschien is het beter als ik ga,” stelde ik voor en probeerde wanhopig de angstige trilling in mijn stem te onderdrukken.
“Je weet niet wat je mist Giacomo.”
Ze fluisterde mijn naam in mijn oor, deed haar slip opzij en liet mijn halfslappe lul in haar verdwijnen waar hij schoksgewijs harder werd. Ik greep haar dikke reet met beide handen beet en stuiterde haar op en neer waardoor ze harder begon te gillen. Ik tilde haar op, negeerde een pijnscheut in mijn onderrug want ik ben blijkbaar ook geen achttien meer, en legde haar wijdbeens op de bank. Haar slip scheurde ik tussen haar benen uit en ik ging op mijn knieën voor haar zitten alsof ik ging bidden. Meteen pakte ze mijn hoofd en drukte mijn gezicht in haar kruis. Het haar op haar kut was licht van kleur en prikte in mijn gezicht. Mijn ogen traanden door de zure lucht en ze duwde mijn bakkes zo hard tegen haar schaambeen dat ik dacht dat ik zou stikken.

Met veel moeite worstelde ik me los uit haar verwurging en stak ‘em er weer in. Ze omklemde me met haar benen en sloeg me met haar vlakke hand in mijn gezicht om me aan te moedigen haar harder te neuken maar ik neukte haar al zo hard als mijn dronken lul me dragen kon.

Haar gekreun was spottend. Ze was niet onder de indruk. Deze blonde madam had alles al gezien en alles al gedaan. Ze trok met haar nagels diepe sporen in mijn rug en billen. Ze probeerde me te zoenen maar ik kreeg zure oprispingen van de zoete likeur die ze gedronken had dus deed ik enkel mijn best om haar zo snel mogelijk vol te blaffen.

Toen ik klaar was wilde ik dit liefdeloze samenzijn achter me laten. Ze vroeg of ik nog wat wilde drinken voor ik ging. Ze had alleen die ranzige zoete likeur en iets dat op zelfgestookte jenever moest lijken. Ik koos voor de jenever. De blondine stond op, trok haar jurkje over haar dikke reet en liep naar de kleine keuken om een glas alcohol voor me in te schenken. Ik trok mijn broek weer omhoog, mijn shirt weer aan en stak een sigaret op.

Ze kwam glimlachend terug de kamer in en maakte een opmerking over mijn hoffelijkheid omdat ik voor haar geen sigaret aangestoken had. Ik gaf haar de mijne en nam een slok van het drankje. Nu ben ik door mijn strenge dieet van wodka, wodka en wodka wel wat gewend maar dit was raketbrandstof. Ik werd licht in mijn hoofd en de kleine woonkamer begon te draaien. Mijn hart sloeg steeds langzamer en ik voelde hoe ik afgleed in een eindeloze duisternis. Het laatste dat ik zag voor ik in een droomloze slaap viel was de blondine die rustig mijn sigaret rookte en van haar likeur nipte. Ze glimlachte, zwaaide met haar vingers naar me zoals alleen vrouwen dat doen en fluisterde de reden dat ze me vermoordde zonder dat iemand haar kon horen.

“Je had geen navelpluis meer mooie jongen.”

Serene

Lavendel en Jasmijn

Al dagen is het veel te warm voor de tijd van het jaar. De verzengende hitte legt een klamme deken van trillende lucht over mijn lelijke industriestad, en laat haar scheve daken glanzen in de zon. Mensen op straat vluchten in slow motion naar een plek achter gesloten jaloezieën waar de schaduw en de airconditioning het leven enigszins dragelijk maken.

Mijn ziel is rusteloos en zoekt een thuis maar zelfs voor de gedachte aan deze expeditie is het veel te warm. De zon verlamt mijn overpeinzingen en een zweetdruppel zoekt zijn weg tussen mijn schouderbladen, over mijn rug, naar mijn bilnaad. De druppel is alleen maar een willoze slaaf van de zwaartekracht zoals wij op de eerste plaats slechts een dienaar zijn van de allesoverheersende drang om liefde te vinden.

We willen allemaal verliefd zijn en gemist worden en zijn daarom altijd op zoek naar eeuwigdurende liefde. We verlangen naar een symbiotische alliantie waarbij de som der delen groter is dan het geheel om onze eenzaamheid te verjagen. We willen hartstocht en passie en hunkeren naar de ongrijpbare sensatie die al eeuwen bezongen wordt en altijd dichtbij lijkt.

Maar als we dan ten langen leste dat Delfische gevoel vinden, gaan we klungelen, aarzelen en stotteren. Dan worden we bang, jaloers en onzeker. We vergiftigen de vlinders en laten het vluchtige sentiment weer ontsnappen zodat we weer alleen en onbemind zijn.

Ik zit in een park onder een boom en zie een stukje verder in het gras een mooi meisje dat een kettinkje maakt van madeliefjes. Haar lange blonde haar glanst in de zon en terwijl ik naar haar kijk, sterft de drukte van de stad langzaam weg. Het meisje draagt een lichtblauw zomerjurkje met blote schouders en een Esschereske opdruk die speelt met dimensies, met perspectieven en met eindigheid.

Ze is alleen in haar eigen wereld en heeft enkel oog voor haar kettinkje. Als ze even opkijkt, vang ik haar blik met de mijne en in een moment van stilte wordt de nietszeggende vluchtigheid overstegen. Heel even is ze van mij maar ik voel dat ze dat niet wil. Ze schrikt van mijn aanwezigheid in haar wereldje en het mooie meisje in het gras duwt me weg. Ze concentreert zich weer op haar kettinkje van bloemen om zo geen antwoord te hoeven geven op de vragen die ik niet stel.

Ik steek een sigaret op om de tijd te doden want pas als de tijd gestorven is, kunnen we de hitte van de dag verjagen. Pas dan kunnen we alles loslaten en samen zwerven naar maan en sterren. Nu nog niet. Misschien later. We moeten wachten tot de avond valt en hoeven haar niet te laten struikelen want zij valt gewoon.

Ik hoor de stem van het mooie meisje in het gras zonder dat ik weet hoe zij klinkt.

“Je bent vast zo’n type dat aan mijn tenen wil sabbelen.”

Ze klinkt stellig maar niet onvriendelijk en heeft het mis. Ik heb geen fetisj voor voeten en schud langzaam mijn hoofd. “Waar houd je dan wel van?” Ze heeft een ondeugende twinkeling in haar stem en ik aarzel want ik word een beetje overrompeld door haar brutaliteit maar herpak mezelf snel.

“Ik wil met je tongzoenen.”
“Waarom wil je dat?”
“Omdat je je dan niet kunt verstoppen.”

Ons korte gesprek vervliegt in de hitte en mijn wens galmt na. We zijn samen alleen. Voor mijn laatste ware liefde was deze eenzaamheid mijn ultieme weelde maar nu moet de donkere leegte die zij achterliet in de kern van mijn ziel ingekleurd worden en mis ik het mooie meisje in het gras zonder dat ik weet wie zij is.

Mijn overpeinzingen worden onderbroken door drie eenden die kwakend vechten. Twee mannetjes vechten om een vrouwtje zoals het altijd gaat in de natuur. Het enige dat beesten doen is vechten, eten en neuken. Ook het mooie meisje in het gras volgt het gekwaak en laat haar kettinkje even voor wat het is. De eenden vechten elkaar het water in waar zij enigszins tot rust lijken te komen. Ik zoek weer contact met haar en hoop dat ze weer met me gaat praten maar ze heeft zich teruggetrokken achter een muurtje waar niemand haar raken kan en ze zwijgt.

Naast me zit een otter. Een otter die kan jongleren met kiezelsteentjes of tennisballen als ik dat zou willen maar hij heeft het ook warm dus dat hoeft niet. In ruil voor voedsel en vermaak is hij mijn vriend. Mijn geweten. Hij is mijn trouwe bondgenoot die niet oordeelt en fluistert wat ik moet zeggen om geen flater te slaan als ik probeer te flirten maar het mooie meisje in het gras hoort me toch niet. Ze hoort me niet omdat ze me niet wil horen dus richt de otter zich tot mij.

“Je bent een Einzelgänger die niet alleen kan zijn.”

De otter klinkt een beetje spottend en ik kijk hem aan. Hij zet zijn veel te dure Ray-Ban zonnebril af en herhaalt wat hij tegen me zei.

“Je bent een Einzelgänger die niet alleen kan zijn.”

Natuurlijk begrijp ik wat hij bedoelt want ik ken mezelf. Ik verlang heel literair naar eenzaamheid tot ik diagonaal in mijn tweepersoonsbed lig. Dan verlang ik naar het oprechte gezelschap van mijn laatste ware liefde of desnoods van het mooie meisje in het gras. Dan wil ik dat iemand tegen me aan kruipt zodat ik haar kan vertellen dat ze veilig is bij mij.

De zon laat nog steeds haar spierballen zien en brandt meedogenloos een gat in mijn gedachten. In haar diepste wezen is het mooie meisje in het gras eenzaam net als ik. Ze houdt mensen op afstand en dat doe ik ook. Wie haar nadert, zal verbranden maar ik ben niet bang. Ik heb alle hoop al laten varen na mijn laatste reis.

Alsof zij hoort dat ik niet bang ben om te branden, stelt ze die onvermijdelijke vraag. “Ben je wel ergens bang voor?” Ze stelt de vraag zonder me aan te kijken. “Ik was vroeger bang om dood te gaan.” “Ben je dat nu niet meer?” “Na mijn laatste reis niet meer.” Ik laat een moment van stilte vallen en toon me kwetsbaar. “Ik ben bang om bang te zijn.” Ze laat mijn woorden op haar inwerken en gaat weer verder met het kettinkje van bloemen.

Omdat ik niet goed weet wat ik zeggen moet, kijk ik vragend naar de otter die naast me tegen de boom hangt en zichtbaar geniet van het warme weer. Hij helpt me niet maar begint te zingen. Het lied, Keep on loving you van REO Speedwagon, brengt me direct terug naar die ene plek en naar die ene avond. Ik ben weer bij een ontmoeting met mijn laatste ware liefde. De herinnering aan haar was aan het vervagen zoals herinneringen altijd doen want tijd heelt alle wonden. De reminiscenties vervagen wel maar verdwijnen doen ze nooit en een geur, een kleur of een melodie kunnen me in een flits terug brengen naar een tijd die reeds lang vervlogen is.

Ik had de gedachte aan mijn laatste ware liefde weg willen snuiven en de flarden die bleven hangen probeerde ik nog steeds uit alle macht te verzuipen in een zee van wodka maar die ene zin uit dat ene liedje bewees dat ze, hoewel verstopt in een donker hoekje van mijn brein, nog altijd springlevend was.

When I said that I love you I meant that I’d love you forever.

De belofte aan een liefde die nooit sterft is natuurlijk een sprookje maar dit onnozele waanidee brengt haar even terug in het stralende middelpunt. Ze zit weer naast me aan de bar met haar benen op mijn schoot en komt steeds dichterbij tot ze haar hoofd op mijn borst rust en ik haar warmte voel. Ze huilt zachtjes en ik aai over haar rug om haar te troosten. Ze ruikt naar Lavendel en Jasmijn en ik geef kleine kusjes op haar prachtige lange haar terwijl ik haar dichter en dichter tegen me aan druk. Ik wil haar nooit meer loslaten en de schoonheid van dit eeuwigdurende moment vastleggen.

Dit is mijn liefde. In al haar wispelturige en angstige onvoorspelbaarheid is dit wat ik wil. We dansen naakt in het schemerduister. Een afzichtelijke professor met een groteske neus speelt prachtig luchtpiano in een kamer die slechts verlicht wordt door kaarsen.

Alle meisjes zijn mooi maar zij is mooier. Alle meisjes ruiken fijn maar zij ruikt fijner. Alle meisjes zijn zacht maar zij is zachter. Iedere herinnering aan wat ik ooit omschreef als liefde verbleekt bij dit moment. We kijken elkaar met natte ogen aan en ze gaat op het puntje van haar tenen staan om met me te zoenen.

Ik houd haar hoofd in mijn grote handen en zij legt liefdevol haar handen op de mijne terwijl onze tongen elkaar vinden in hun vertrouwde dans die een overweldigend verlangen aanwakkert. We zijn samen alleen. Ik zie dat ze me mist en lieg dat het goed komt allemaal.

I am gonna keep on loving you because it’s the only thing I want to do.

Onze liefde is heftig en intens en daarom gedoemd om op te branden maar iets anders dan intense en onvoorwaardelijke overgave is niet de moeite waard. Dat is geen liefde maar een slap aftreksel waar laffe mensen genoegen mee nemen. Mijn laatste ware liefde was beducht voor mijn overweldigende intensiteit en loste plotseling op in het niets. Ze liet me los en ik viel. Ik bleef vallen. Ik val nog steeds.

Het is dwaas om van een bange vrouw te houden maar liefde is zinloos en doet pijn. Liefde is doof voor ratio en liefde kent geen logica.  Als mijn laatste ware liefde de blinde sprong van vertrouwen niet durft de maken omdat zij niet gelooft in wat er kan groeien, is het onverstandig om zelf wel te springen. Blind springen doe je samen anders is het geen liefde maar is het masturbatie.

De herinnering aan een liefde die niet was wordt nu langzaam vervangen door een droom die niet mag worden want het mooie meisje in het gras is ook bang voor complexe emoties en overweldigende gevoelens en die angst is doorgaans maar een hele matige raadgever dus haast ik mij langzaam weg van haar.

De otter slentert met me mee.

“Ik wil sterven met herinneringen aan liefde en niet met onvervulde dromen vriend.”

Hij kijkt me aan over zijn exorbitant dure zonnebril en zwijgt. Zelfs in zijn stilte is hij cynisch. Ik ga verder.

“Ik wil leven en liefhebben alsof morgen niet bestaat. Trillend op mijn benen wil ik naakt dansen bij kaarslicht. Ik wil nog steeds mijn laatste ware liefde beminnen en met haar verdwalen in het leven. Ik wil helemaal niet bezig zijn met mooie vreemdelingen die kettinkjes maken van fucking Madeliefjes.”

De otter schudt zijn bijdehante bakkes en denkt er duidelijk het zijne van. Hij luistert al maanden naar mijn eindeloze emogezeik over liefde en wordt moe van het cirkeltje waar ik maar niet uit wens te komen. Ik bazel verder tegen mijn sympathieke vriend.

“In haar ziel is waar ik sluimer en ontheven van de vluchtigheid der dromen zal zij mij wakend niet vergeten. Zij is mijn ene ware liefde. Zij is de liefde die alle andere liefdes doet vervagen. Ik weet zeker dat niemand ooit van haar zal houden zoals ik dat doe. Mijn ogen zijn geopend en de zegening van de onwetenden is een leugen. Ik word zelfs heel erg droevig van kille cynici die uiteindelijk genoegen nemen met minder en vervolgens proclameren dat ware liefde niet bestaat.”

De otter kijkt omhoog, schraapt zijn keel en dient me dan eindelijk van wat goedbedoelde repliek.

“Ik snap jou niet. Je hart lag in honderdduizend stukken toen ze plotseling verdween en nog steeds geloof je in ware liefde. Je gelooft zelfs nog steeds dat zij jouw ware liefde is. Hoe kan dat? Je bent een rationeel, weldenkend en intelligent mens en toch geloof je in sprookjes en blijf je hangen tussen flarden van vroeger. Waarom?”

“Het vinden van ware liefde is statistisch onwaarschijnlijk maar niet onmogelijk vriend. Ik moet geloven dat ware liefde bestaat. Ik kan niet leven zonder de overtuiging dat ons meest intieme samenzijn precies was waar Shakespeare al over fantaseerde.”

De otter denkt na over wat ik zei en om het laatste woord te hebben, schopt hij mompelend een open deur in.

“Je bent een hopeloze romanticus en strijdt een strijd die je niet winnen kunt.“

Hij heeft gelijk. Natuurlijk heeft hij gelijk. Hij heeft altijd gelijk want cynisme heeft altijd een kern van waarheid maar ik kan en wil me er niet bij neerleggen. Niets in dit leven dat de moeite waard is, is eenvoudig. Als iets de eerste keer niet lukt, moet je het gewoon nog een keer proberen. Toen je leerde lopen, stopte je ook niet na je eerste valpartij en je stopte na je eerste smak ook niet met fietsen… Of met zoenen.

Al die liedjes, die films, die gedichten en die toneelstukken over dat vage concept dat wij liefde noemen moeten ergens op gebaseerd zijn. Ze zoeken naar de juiste woorden om een gevoel aan te spreken dat iedereen doet smachten naar die hemelse verslaving. Ze spreken allemaal van een sensatie waar we niet zonder kunnen en ook dat ene liedje van REO Speedwagon raakt precies diezelfde snaar.

I don’t want to sleep. I just want to keep on loving you. 

 

© LSD 2015