Category Archives: Filosofie

milkyway

De kosmos heeft een plan

De wetenschapper die enkel gelooft in wat hij kan bewijzen, is als een wielrenner die in het donker een berg beklimt. Zijn hartslag is maximaal en hij staat op de pedalen. Als hij naar boven kijkt, ziet hij de top niet door de duisternis. Hij ziet niet hoe ver hij nog moet klimmen en zijn onwetendheid maakt hem moedeloos. Hij weet niet waar hij naartoe gaat. Zijn kennis brengt hem wel verder en de voorwaartse beweging is volgens Einstein essentieel om in balans te blijven maar diezelfde Albert Einstein wist ook dat zonder fantasie die kennis, hoe diepgaand ook, geen licht schenkt om de fietsende fysicus te leiden terwijl hij strijdt met de genadeloze berg. Om de top te kunnen zien, moet hij eerst begrijpen dat er dingen zijn die hij niet begrijpt. Hij moet zich weer laten verbluffen door de schoonheid van de kosmos.

De mens kijkt al vol verwondering naar het universum sinds de eerst Neanderthaler zijn grot verliet. Eerst verzon men mythes om de wereld te verklaren maar door de jaren heen maakte mythe plaats voor logos en met de komst van logos verloor de mens beetje bij beetje haar verwondering. Donder wordt niet veroorzaakt door Thor, die boos was of iets te vieren had, en met zijn hamer op de wolken sloeg, maar donder ontstaat omdat een bliksemschicht de lucht zo sterk verhit dat deze uitzet. Deze uitzetting veroorzaakt een geluidsgolf die door de waarnemer wordt ervaren als een opeenvolging van knallen. Bijna net zo leuk Thor met een hamer natuurlijk.

In het voorbeeld van de donder ligt al een causaal verband verborgen. Het is namelijk een wetmatigheid dat de lucht door een bliksemschicht zo sterk verhit wordt dat deze uitzet. Dat is niet toevallig, dat gebeurt iedere keer. Ook zal de uitzettende lucht iedere keer een geluidsgolf veroorzaken die iedere keer door de waarnemer wordt ervaren als donder. Hier is sprake van fysische causaliteit. Het zijn wetmatigheden en alle natuurwetenschappelijke wetmatigheden samen geven ons een goed beeld van hoe de kosmos werkt.

Natuurwetenschap verklaart hoe alles werkt maar geeft geen antwoord op de vragen des levens waar de spirituele mens zich in de 21ste eeuw mee bezighoudt. Waarom zijn we hier op aarde? Heeft ons bestaan een doel? Wat is een ziel? Wat is God? Hoe is het universum begonnen?

Voor antwoorden op die vragen moeten we kijken naar de metafysica, vaak liefdevol omschreven als de eerste filosofie. Deze tak van sport ontstond tijdens de overgang van mythe naar logos om de waardering voor de verbluffende schoonheid van het universum te duiden. De natuur doet niks zonder doel, dat wisten de Oude Grieken al, dus waarom zou ons bewustzijn, onze energie, onze ziel, wel doelloos opperen? De natuur, waar wij als Homo Sapiens onderdeel van zijn, is een nauwkeurig in elkaar passend geheel. De radertjes zijn zo goed op elkaar afgestemd dat het bijna onmogelijk is om nog te spreken van toeval en willekeur. Het is aannemelijk dat we leven in een deterministisch universum hetgeen indirect impliceert dat de kosmos een plan heeft.

Naast alle fysische wetmatigheden is er dus misschien ook wel een soort metafysische causaliteit. Dat blijft natuurlijk een speculatie in een wereld vol abstracties. In de metafysica kan niks worden bewezen want die kennis ligt vooralsnog buiten ons kenvermogen. Daarom zijn deze vraagstukken niet benaderbaar met rede en logica maar wellicht leveren studie, fantasie, meditatie en hallucinogenen overtuigingen op die de filosofische nieuwsgierigheid bevredigen.

Gelovigen kijken naar de schepping en roepen dan meteen dat ons prachtige universum wel het werk van God moet zijn. Zoveel schoonheid, daar moet een Goddelijke intelligentie achter zitten. Zij zeggen dat niet de kosmos een plan heeft maar geloven dat God een plan heeft en voor dat Goddelijke plan in zeven dagen de kosmos heeft gebouwd. We kunnen het ‘Wezen God’ niet ontkennen, noch kunnen we Zijn bestaan bewijzen. We zijn op dit punt veroordeeld tot onwetendheid. Ik wil wel aantekenen dat de religieuze invulling van het ‘Wezen God’ in mijn ogen niet juist kan zijn. Als Hij de kosmos heeft geschapen, in dienst van de mens, zijn favoriete schepping, zou hij dan, gelijk een sadistisch toeschouwer, toekijken hoe honger, corruptie, oorlog en milieuvervuiling zijn meesterwerk kapot maakt? Enkel omdat het voor hem amusant is om de mens een ‘Vrije Wil’ te geven? Dat kan ik niet geloven. Als er een alwetende God is, zal deze door zijn alwetendheid in essentie onverschillig zijn dus in plaats van een wraakzuchtige Godheid, zie ik een Onbewogen Beweger, los van tijd en ruimte, die de kosmos in gang heeft gezet en verder boven het verhaal staat.

De kosmos heeft een plan maar wat is de opzet? Het zien van dit kosmische plan brengt ons dichterbij antwoord op de vraag waarom wij hier op aarde zijn. Dat is de belangrijkste metafysische vraag. Ons kenvermogen heeft beperkingen maar er is een transcendente werkelijkheid waar wij soms een glimp van opvangen. Denk maar eens aan die tante die naar de dokter gaat voor een bultje in haar nek dat ze niet vertrouwt maar wat niks blijkt te zijn. Wel vinden ze bij datzelfde bezoek een verdachte moedervlek dat een kwaadaardig melanoom blijkt te zijn. Dat was niet ontdekt als ze niet naar de dokter was gegaan. Men spreekt hier vaak over toeval maar in een gedetermineerd universum bestaat geen toeval. Tante was niet op de juiste plek op het juiste moment. Dat bestaat niet. Net zo min als het slachtoffer van een roofoverval simpelweg op de verkeerde plek was op een verkeerd moment.

Ook de ontmoetingen met andere mensen zijn onderdeel van het kosmische plan. Het sterke gevoel dat ze voorbestemd zijn, is een tipje van die sluier. Alles wat gebeurt is afhankelijk van een oneindige serie oorzaken en dat maakt iedere ervaring bijzonder. Een ontmoeting is van zoveel factoren afhankelijk dat het statistisch erg onwaarschijnlijk is maar toch voelen ontmoetingen als onvermijdelijk en heeft ieder rendez-vous heeft een functie.

Het gevoel dat iets voorbestemd is, is een glimp van de transcendente werkelijkheid. Dat is metafysische causaliteit. Dat is een blik in het plan van de kosmos en dat zien we pas als we beter kijken. Als we meer tijd nemen en het leven met meer aandacht benaderen.

Als de mens niet vrij is en moet leven met een plan van de kosmos dat onmogelijk is om te kennen, leeft hij in een absurd en paradoxaal, maar niet vijandig, universum. De filosoof moet zoeken naar de onkenbare essentie want daar ligt het antwoord op de metafysische kernvraag; Waarom zijn wij hier op aarde?

Dat antwoord ligt vooralsnog buiten ons kenvermogen hetgeen het stellen van die vraag een redelijk zinloze exercitie maakt. Omdat de filosoof toch zoekt, is hij de echte absurde held. Hij zoekt naar de essentie met de zekerheid dat hij hoogstwaarschijnlijk niks gaat vinden.

Waarom moet hij dan toch zoeken? Hij moet zoeken omdat zijn zoektocht troost kan bieden. Metafysische filosofie kan dienen als verlichting voor de fietsende fysicus. Met deze filosofie kan hij de top van de berg kan zien. Het maakt zijn beklimming niet eenvoudiger, het slopende stijgingspercentage zorgt nog altijd voor brandende beenspieren, maar nu hij de top kan zien, wordt het lijden wel minder uitzichtloos. Daarom moet de metafysische filosoof zijn queeste documenteren. Zo zijn de filosofen een lichtpuntje voor de ploeterende fysici die kunnen accepteren dat er zaken zijn die hij niet kan begrijpen.

Optimist met een hamer

Een filosoof is geen wetenschapper maar een kunstenaar, een artiest. Hij moet zijn publiek verbluffen met onnavolgbare logica. Hij moet kunnen toveren met woorden. Alles moet in het teken staan van zijn werk. Hij moet puur blijven en zichzelf verliezen in de chaos. Hij moet trouw blijven aan zijn rebellie. Hij mag de stilte, de studie en de eenzaamheid niet schuwen.

Friedrich-Nietzsche-Sketch

Er is een dappere filosoof nodig om de diepste krochten uit de filosofie van Nietzsche te bezoeken en hem te doorgronden. Hij is de afgelopen honderd jaar genegeerd door de academische wereld omdat hij de filosofische vader van Hitlers rassenleer werd genoemd en een antisemiet zou zijn. Daarnaast is bij Nietzsche een andere vorm van interpretatie noodzakelijk dan die voor het begrip van filosofische geschriften gebruikelijk is. Die zijn doorgaans volgens stringente argumentatielogica opgebouwd. Nietzsche doet het anders en wordt daarom zowel verguisd als bewierookt.

Nietzsche was zonder twijfel één van de grootste denkers en schrijvers die de wereld ooit heeft gezien. Hij was briljant, diepzinnig, poëtisch, raadselachtig en onbegrepen. Iedereen kent de legendarische aforismen als ‘God is dood en wij hebben hem vermoord’ en ‘Wat me niet doodt, zal me sterken’ of ‘Kunstenaars zijn slaapwandelaars bij daglicht’, maar ook, ‘Zij die dansen zullen altijd als dwaas worden bezien door hen die de muziek niet horen,’ en wie is er niet groot geworden met klassiekers als  ‘Ah vrouwen. Zij maken onze pieken hoger en onze dalen frequenter,’ en ‘Liefde is een redmiddel tegen perfectie.’ Maar zijn werk inhoudelijk behandelen is lastig.

Nietzsche1

Friedrich Wilhelm Nietzsche wordt geboren in Rőcken, een klein dorpje ten zuiden van Leipzig, waar zijn vader dominee is van de Lutherse gemeenschap. Hij wordt geboren op 15 oktober 1844 en omdat koning Friedrich Wilhelm IV van Pruisen ook verjaart op die dag, en zijn vader erg loyaal is aan het Pruisische koningshuis, noemt hij zijn eerstgeborene Friedrich Wilhelm.

Zijn vader sterft in juni 1849 op 35 jarige leeftijd aan een  hersenaandoening en omdat de medische terminologie op het Duitse platteland in die tijd nog niet toereikend genoeg is om te verklaren wat er precies is gebeurd, is dit moeilijk te achterhalen. Er wordt gefluisterd dat hij krankzinnig is geworden maar dit werd door de familie met klem tegengesproken. Zijn echtgenote Fransiska zegt in een brief dat Karl Nietzsche van een betonnen trap was gevallen en zijn hoofd had gestoten maar dat is hoogstwaarschijnlijk niet de doodsoorzaak. Bij zijn autopsie wordt iets gevonden dat omschreven kan worden als een tumor. Duidelijk is dat Karl Nietzsche in zijn laatste maanden veel pijn heeft, niet meer kan spreken en langzaam blind wordt, hetgeen een diepe indruk maakt op zijn oudste zoon. Friedrich ziet zijn geliefde vader ‘geműtskrank’ worden.  Hij begrijpt niet waarom zijn vader zo moet lijden van dezelfde God die hij zijn hele leven naar behoren heeft gevreesd, gehoorzaamd en toegewijd heeft gediend. Daar verliest Friedrich een groot stuk van zijn geloof. De kern van de Lutherse leer is dat de mens zondig is en alleen maar gered kan als het geloof in Jezus Christus leidt tot genade van God. Nietzsche beredeneert dat het geloof van zijn vrome vader in Jezus Christus niet had geleid tot Goddelijke genade en trekt daaruit de onvermijdelijke conclusie dat de Goddelijke genade een fabeltje is en dat God misschien wel niet bestaat.

Een jaar later sterft ook zijn jongere broertje Ludwig Joseph. Moeder Franziska verhuist met Friedrich en zijn jongere zusje Elizabeth naar Naumburg waar ze gaan wonen met zijn grootmoeder en twee ietwat lijpe, ongehuwde zussen van zijn overleden vader. De komende tien jaar zou de jonge Nietzsche tussen vrouwen leven in een wereld van protestantse vroomheid. Dat maakt romantische relaties met vrouwen in zijn latere leven praktisch onmogelijk en jaagt hem indirect in de misogyne armen van een ascetische eenzaamheid.

Nietzsche4

Friedrich doet het goed op het Landesschule Pforta, een prestigieus internaatgymnasium met een lange geschiedenis. De school werd gesticht in 1543 en geldt als één van de beste religieuze internaten van Europa. Friedrich Nietzsche is een vriendelijke, gevoelige, bijna teerhartige en bescheiden jongen die graag piano speelt en urenlang toehoorders kan boeien met improvisaties op de vleugel. Zonder muziek zou zijn het leven voor hem een dwaling zijn. Hij is rustig, teruggetrokken en niet vrij van zorgen. De krassen op zijn ziel maken hem anders dan andere kinderen. Hij wordt gepest omdat hij zwaar op de hand is en zoekt al op jonge leeftijd zijn heil in eenzaamheid. Als hij alleen is met zijn gedachten, voelt hij zich beter dan tussen zijn leeftijdsgenoten.

Hij leest veel, vooral Griekse en Romeinse literatuur, schrijft prachtige gedichten en krachtige essays over het Griekenland van de antieke oudheid, en componeert voor piano. Op het gymnasium richt hij met twee vrienden de literaire sociëteit ‘Germania’ op waar ieder lid verplicht was om eens per drie maanden een werkstuk voor te leggen. Dat mocht een gedicht zijn maar ook een muzikale compositie, een architectonisch ontwerp of een essay. De anderen hadden dan als plicht om het voorgelegde werk zo scherp mogelijk te bekritiseren. In de zomer van 1863 stoppen zijn vrienden met de sociëteit omdat de kritiek van Nietzsche vaak te fel van toon was.

Het was voor de jonge intelligente Nietzsche niet meer dan logisch om in de voetsporen van zijn overleden vader te treden en dus ging hij na het gymnasium in 1864 theologie studeren in Bonn. Niet alleen zijn vader was dominee bij de Lutherse kerk, maar ook zijn grootvader en een aantal van zijn ooms waren functionarissen binnen de gemeenschap. Hij kan echter de blinde sprong van vertrouwen, die religie van haar volgers eist, niet maken. De eerste haarscheurtjes in zijn geloof komen aan het licht als hij door extreme hoofdpijn een paar weken thuis in Naumberg doorbrengt bij zijn moeder. Er ontstaan verhitte discussies over hun Christelijke geloof. Hij wil niet meer mee naar de kerk, ziet geen relevantie meer voor God en stopt na één semester, tot zijn moeders verdriet, met zijn studie theologie. Hij zegt daar zelf over dat ieder geloof onfeilbaar is omdat men altijd kan vinden wat men hoopt te vinden maar hij ziet dat religie geen enkele ondersteuning biedt bij het vaststellen van een objectieve waarheid. Nietzsche stelt dat als men rust zoekt en gelukkig wil zijn, religie prima is, maar als men volgeling van de waarheid wil zijn, mag men nooit stoppen met zoeken. Nietzsche kiest voor filologie en verruilt in 1865 Bonn voor Leipzig.

nietzsche-pic

Het jaar 1865 is ook om een andere reden erg belangrijk in de vorming van zijn gedachtegoed. Bij een antiquariaat in Leipzig ontdekt hij ‘Die Welt als Wille und Vorstellung’ van Arthur Schopenhauer. Tegen zijn gewoonte in koopt hij het boek en begint meteen met een nauwgezette studie van de inhoud. Hij is erg onder de indruk en zou grote delen van Schopenhauers metafysica overnemen om de goddeloze leegte op te vullen maar daarna neemt hij afstand van de metafysica als geheel omdat het ons schijnantwoorden schenkt en geen waarheden.

De jonge Nietzsche brengt ook veel tijd door met Richard Wagner in wie hij de redder ziet van het decadente Duitsland. Wagner laat in zijn opera’s de geest van de Griekse tragedie herleven, waarin de held zelfbewust en krachtig handelt, maar tegelijk de kracht heeft om zich te voegen naar het noodlot dat voor hem is weggelegd. Ook een ander centraal thema in het vroege werk van Wagner, -het lot der vaderloosheid voor de protagonisten -, moet hem aanspreken. Daarnaast is Wagner controversieel, excentriek en uitgesproken antisemitisch en anarchistisch. Hij wordt de vaderfiguur die Nietzsche nooit heeft gehad maar in deze vader-zoon-relatie ligt onvermijdelijk besloten dat Wagner op een bepaald moment keihard van zijn voetstuk zal vallen. Dat hoort zo. Dat is een onderdeel van het leven. Iedere man beseft op een bepaald moment dat zijn vader niet de beste en sterkste man ter wereld is.

Ondertussen leidt de industriële revolutie ook op het vasteland van Europa tot een meer materialistische levensbeschouwing waarin zaken –en mensen- worden beoordeeld op hun nuttigheid. In het Utilitarisme wordt de morele waarde van een handeling afgemeten aan de bijdrage die deze handeling levert aan het algemeen nut en onder het algemeen nu wordt verstaan: het welzijn en geluk van alle mensen. Nietzsche fileert deze visie. Maximalisatie van het economisch nut als moreel centrum van de maatschappij is een slechte zaak want het onderdrukt de sterke individuen en het is aan hen om een betere wereld te scheppen. Moraal is een manier voor de zwakkeren om de sterkeren te onderdrukken en wordt in het utilitarisme gebruikt door een kleine groep industriëlen om hun winst te maximaliseren.

Ook het socialisme van Marx kan hem niet bekoren omdat zij veel te veel op de kracht van het collectief leunt en op die manier het individu beperkt in zijn persoonlijke ontwikkeling. Nietzsche gelooft in de kracht van het individu, walgt van kuddegedrag en kijkt neer op de massa, of de kudde zoals hij het noemt. Het maakt hem niet uit of dit kuddegedrag nu christelijk gemotiveerd is of utilitaristisch of socialistisch. Nietzsche ziet een mens voor zich die zich los maakt van het systeem en op zichzelf steunt.

friedrich-wilhelm-nietzsche-french-school

Zijn wijsgerige gedachten floreren in de jaren na de Frans-Duitse oorlog (1870-1871). Nietzsche meldde zich in aan het begin van de strijd nog aan het front als een echte Patriot maar hij blijft maar een week omdat hij van zijn paard valt, dysenterie oploopt en volledig gedesillusioneerd is door het gebrek aan geestdrift en het gevoel van eenheid van het nieuwe Duitsland. De groeiende macht van Duitsland en het meegroeiende nationalisme na deze oorlog waren voor Nietzsche aanleiding tot kritiek en bezorgdheid. Deze kritiek verwoordt hij in vier delen onder de titel ‘Unzeitgemässe Betrachtungen’ (1873-1876). De eerste beschouwing is een afrekening met David Strauss, het type azijnpissende, Duitse cultuurfilister waar Nietzsche op spuugt. De tweede beschouwing gaat over de groeiende ballast van historische kennis die het eigenlijke leven dreigt te verstikken. De derde en de vierde studie over de waarde van Schopenhauer en Wagner voor een nieuwe generatie, zijn een lofzang over zijn eigen meesters en een warm pleidooi om hen te beschouwen als opvoeders tot een nieuwe, veredelde cultuur.

Vlak na deze periode breekt hij met Wagner omdat deze, in de ogen van Nietzsche, een knieval had gemaakt naar het christendom. Het succes, gematerialiseerd door de opening van de opera in Bayreuth, had Wagner decadent gemaakt en dus kon hij geen idool meer zijn voor de oprechte Nietzsche. Wagner donderde hard van zijn voetstuk.

Ook breekt hij rond 1880 met de filosofie van Arthur Schopenhauer. Nietzsche vond dat het leven meer was dan alleen maar lijden zoals Schopenhauer en het protestantisme om verschillende redenen propageren. Schopenhauer kan wel oordelen over het leven dat het niet deugt, maar wat bewijst dat? Hij noemt ‘de wil’ een noodzaak. Blind, dom en onvrij. De noodzaak der natuur. Nooit verzadigd, altijd op zoek en deze eeuwige drang van ‘de wil’ maakt van de wereld van Schopenhauer voor alles een tranendal. Nietzsche wil dit pessimisme verslaan en op het moment dat hij fysiek door een diep dal gaat, lukt hem dat ook. Hij overwint zichzelf en onderkent de schoonheid en de waardigheid die verborgen ligt in lijden.  ‘De wil’ wordt niet bovenmenselijk opgelegd, zoals Schopenhauer proclameert, maar komt uit de mens zelf. Het is de intrinsieke noodzaak om de existeren zoals men belieft dat ons leidt of zou moeten leiden. Nietzsche wordt na deze openbaring nog kritischer ten opzichte van kunst en metafysica. Hij zoekt in toenemende mate zijn heil in wetenschap en neigt in deze periode zelfs tot een naturalistisch positivisme.

De academische wereld laat zijn werk links liggen. Menschliches, Allzumenschliches (1878) en Die frőliche Wissenschaft (1882) verkochten nauwelijks en werden nergens serieus besproken. Mede ook door een almaar verslechterende gezondheid, stopt Nietzsche als hoogleraar aan de universiteit van Basel en gaat als eenzame maar vrije filosoof zwerven door Europa. Hij zoekt naar een geschikt klimaat voor zijn fragiele gezondheid. In de zomer brengt hij veel tijd door in Sils Maria, in de Zwitserse Alpen, waar de bergen hem inspireren en de schone lucht hem goed doet. In de winter verblijft Nietzsche aan de Franse of Italiaanse Riviéra, waar het wat warmer is.  In de winter van 1882-1883 is hij aan de baai van Rapallo. Op één van zijn wandelingen door de heuvels met uitzicht op zee, wordt Nietzsche overvallen door het idee voor  ‘Also sprach Zarathustra.’

Deze briljante, poëtische vertaling van zijn wijsgerige gedachten, wordt ook geen direct succes. Het verkoopt zo slecht dat hij het derde deel in eigen beheer moest uitgeven maar hij wilde koste wat het kost gelezen worden. Zijn medeacademici lieten zijn werk nog altijd links liggen en de boeken wisten aan het eind van de 19e eeuw ook de gewone mensen niet te bereiken. Later, tijdens de eerste wereldoorlog, zou ‘Also sprach Zarathustra’ met de Bijbel het meest gelezen boek zijn door Duitse soldaten aan het front.

Nietzsche2

Friedrich Nietzsche vereenzaamt en verbittert maar desondanks groeit in de beklemmende stilte die hem omgeeft zijn gevoel voor eigenwaarde. Zijn taal wordt steeds hartstochtelijker en zijn toon luider. Hij schrijft alsof hij bezeten is. Acht meesterwerken in krap drie jaar. De overspannen productie blijkt een voorbode voor de catastrofe die zou volgen.

In het voorjaar van 1888 krijgt hij dan eindelijk voor het eerst academische erkenning voor zijn werk. Georg Bendes doceert aan de universiteit van Kopenhagen zijn werk aan een nieuwe generatie filosofiestudenten. Lang kan hij niet van zijn roem genieten want in januari 1889 stort Friedrich Nietzsche in. Het bekende verhaal vertelt ons dat hij een afgeranseld paard omhelst en uitroept dat hij de pijn van het paard kan voelen. Dat wordt nergens officieel bevestigd maar ook nergens ontkracht. Waarschijnlijk is het een mythe gebaseerd op de antieke Griekse filosoof Diogenes van Sinope, de eerste cynicus, die wel vaker dit soort acties had, en een uit ‘Misdaad en Straf” van Dostojevski, waar Nietzsche een groot bewonderaar van was.

Nietzsche7

De brieven die hij deze maanden schrijft aan oude vrienden en collegae, zijn zo verontrustend dat zij hem terughalen uit Turijn. Zijn toon is paranoïde en hij heeft waanbeelden dat hij de keizer gaat neerschieten en dat hij Dionysios is. Hij wordt opgenomen in een kliniek in Jena waar hij een jaar verblijft voordat hij terug verhuist naar Naumberg waar hij de rest van zijn leven zal worden verzorgd door zijn moeder en zijn zus.

De grootste ironie in het leven van Nietzsche is dat hij als een weerloos kasplantje eindigt bij zijn zus en moeder, die hij niet bijzonder graag mag met hun weerzinwekkende vroomheid en hypocriete deugdzaamheid. Terwijl zijn verlamde hersenen gevangen zitten in een falend lichaam, wordt hij in leven gehouden door twee Lutherse extremisten die het leven als een Heilig godsgeschenk beschouwen. Hij vervaagt en is geen schim meer van de briljante filosoof die hij eens was. In 1891 meldt een gedesillusioneerde bezoeker dat Nietzsche zelfs geen piano meer kan spelen. Hij heeft geen gevoel voor ritme meer, en alles wat hij speelt is verwarrend en vals. Nietzsche wordt steeds meer apathisch, is bijna blind en praktisch verlamd.

Elizabeth, wiens echtgenoot in Paraguay in 1889 zelfmoord pleegt nadat de puur Arische kolonie – Nuevo Germania – die zij wilden stichten, mislukt was, keert in 1893 terug naar Duitsland en trekt in bij haar moeder om voor haar broer te zorgen. In de jaren die volgen doet ze haar best om zijn nalatenschap te beheren en haar broer uit te melken. Ze verhuist hem en zijn manuscripten, correspondentie en studiemateriaal naar Weimar en maakt ruzie met iedereen die het werk van haar broer wil interpreteren nu hij dit zelf niet meer kan. Ze nodigt mensen uit om naar haar inmiddels toch wel beroemde broer te komen kijken en ze denkt dat ze de enige is die hem begrijpt en weet wat hij wil.  Het is vooral haar schuld, en die van Martin Heidegger, dat Nietzsche werd gezien als de vader van het Nationaal Socialisme in Duitsland en het Fascisme in Italië. Dat terwijl hij in zijn filosofie fel antinationalistisch is, hij zijn Duits staatsburgerschap opgeeft en Elizabeth meerdere malen belachelijk maakt omdat ze een antisemitische man trouwt.

In april 1897 sterft zijn moeder maar Nietzsche is dan al zover verdwaald in zijn schemerwereld dat hij het overlijden van Franziska niet eens opmerkt. Het zou nog iets meer dan drie jaar duren voordat de dood hem ook bevrijdt uit het stoffelijke omhulsel dat hem al jaren gevangen houdt. Hij sterft op 25 augustus 1900 op 55-jarige leeftijd aan een longontsteking.

Door zijn vroege dood heeft hij zijn grote herwaardering van alle waarden nooit af kunnen maken en wordt hij de martelaar van zijn filosofie zoals ieder mens eigenlijk martelaar is van zijn eigen oncontroleerbare oerwil. Nietzsche leidde een kort en eenzaam leven vol hartzeer en tegenslag. Naast een slechte gezondheid en het vroeg verliezen van zijn vader en broertje, knaagt de eenzaamheid aan hem. Hij noemt het maar een voorwaarde voor een filosoof maar weet ook dat een leven gedeeld in liefde veel beter is. Geliefden bouwen samen een nest, een thuis. De eenzame filosoof leeft in zijn hol en alles staat in dienst van zijn werk.

We moeten zijn werk beschouwen als hoopvol en optimistisch. Hij ziet de mens als een schakel tussen de beesten en de ‘übermenschen’. Het is hoopvol om te geloven dat wij kunnen evolueren in zoiets moois. Nietzsche is geen antihumanist maar wel een tegenstander van het humanisme als het zoveelste theïsme. Dit soort paradoxen maken hem ingewikkeld om te bestuderen. Zo is hij wel fel antimoralistisch maar maakt dit hem nog niet immoreel.

Een van zijn laatste werken ‘Ecco Homo’ (1889) eindigt hij met de vraag aan de mensen: Waarom ben ik het lot? Zoals het een ware filosoof betaamt, beantwoordt hij die vraag zelf. Zijn antimoralistische waarheid heeft de vernietigende kracht van intellectueel dynamiet. De christelijke slavenmoraal, die deugd maakt van lafheid, die met hypocriete regels komt om te verhullen wat de zwakkeren wensen maar niet kunnen krijgen, en verheerlijken wat ze hebben, ook al willen ze dat niet. Zwakke mensen worden goed genoemd, onderwerping aan de heersers die men haat, wordt gehoorzaamheid en zo wordt religie een tempel van bittere ontkenning van de aard van de mens. Het regeert de westerse wereld al 2000 jaar als een ziekte. Het zou voor de mensen veel beter zijn als Dionysios wordt gekroond tot Messias in plaats van Jezus.

 

Plato de fantast en Socrates de Messias

“De westerse filosofie kan het beste gekarakteriseerd worden als een serie voetnoten bij Plato”, aldus de Britse filosoof Alfred Whitehead eind 19e eeuw.

PlatoPortret

Plato

De grootste invloed op de briljante Plato was zijn ‘leermeester’ Socrates. De geschiedenis heeft, op basis van de dialogen van Plato, deze Socrates verheerlijkt tot een mythisch figuur. Een Messias voor de filosofie. Niet een pedante en listige sofist die zijn waarheid als absoluut en onkreukbaar oplegt, maar een eloquente, onverstoorbare wijsgeer die door middel van het stellen van de juiste vragen samen met zijn gesprekspartner op zoek gaat naar een oplossing voor een ethisch dilemma of een moreel dispuut. Beetje simplistisch weergegeven want een filosoof biedt nooit antwoorden. Hij geeft slechts een systematiek om mensen niet te laten verdwalen in hun zoektocht. Elk antwoord dat gevonden wordt, levert weer nieuwe vragen op en dus is de zoektocht nooit klaar. Bij Socrates wordt de vergelijking met een vroedvrouw vaak gemaakt omdat hij mensen hielp  bij het op eigen kracht ‘baren’ van de waarheid.

SocratesPortrait400

Socrates

Deze Socratische methode werd de basis voor de dialogen van Plato want Socrates schreef natuurlijk zelf niets. Net als Jezus van Nazareth onderwees Socrates door op straat te zijn en met mensen in discussie te gaan. Niet om deze mensen te overtuigen van zijn eigen gelijk maar om die mensen te doen beseffen dat hun oplossing misschien wel de basis van het volgende probleem was. Plato wilde niet, gelijk de sofisten,  gezien worden als hautain of hooghartig en dus verzon hij een list. Hij verzon een Messias. Hij verzon Socrates. De perfecte gesprekspartner.

Laat die boodschap maar even op je inwerken. Socrates, één van de grondleggers van de hedendaagse westerse filosofie, de onnavolgbare denker die ons de ethiek gaf,  is een hersenspinsel van de fantast Plato.

Volgens mijn hypothese was het Plato zelf die blootsvoets en met een sobere mantel de straten van Athene bewandelde en stiekem schreef over een man die dit ook gedaan zou hebben in een tijd van grote maatschappelijke onrust.  Plato schreef over deze man met een aan liefde grenzende bewondering. Deze Messias bezat alle eigenschappen die een man diende te bezitten.  Hij was charismatisch, dapper, ad rem en integer.  Een man die, volgens het orakel van Delphi, vele malen wijzer was dan alle andere mannen. In zijn jonge jaren was deze eerste homo universalis een onverzettelijk soldaat geweest die onvermoeibaar vocht voor waar hij oprecht in geloofde. Na de oorlog had hij zijn geest scherp gehouden door te redetwisten met eenieder die hem daartoe uitdaagde. Hij was een liefhebbend  vader voor zijn kinderen en een toegewijd echtgenoot voor zijn vrouw. Socrates kon nog net geen water in wijn veranderen maar veel scheelde dat niet.

De jonge Plato was zoekende, zoals iedere jonge filosoof aan het zoeken is.  Hedendaagse filosofen hebben een weids spectrum aan denkers en stromingen waar we uit kunnen kiezen om te bestuderen en te verfijnen. Zoals met alles is er in de 21ste eeuw ook in de filosofie sprake van een overvloed aan keuzes. Plato was dusdanig intelligent dat hij niet veel had om tegenop te kijken. Hij kwam uit een gegoede Atheense familie en was dus onderwezen door de beste leraren die de stadstaat te bieden had. Hij was onderwezen in natuurfilosofie, kosmologie en mathematica. Alles was gekaderd en alles werd verklaard.

Socrates schiep een kaderloos kader voor de jonge Plato. De oude, vrijgevochten leermeester was nodig om alles los te kunnen laten. Zaken als het polytheïstisch geloof van de oude Grieken, uiterlijk vertoon, macht en vleselijke verlangens. Een filosoof moet alle menselijke neigingen onderdrukken en zich slechts laten voortdrijven door zijn zucht naar meer en betere kennis. Pas dan kan hij echt objectief en vernieuwend zijn.

jezus-heuvel-zon

Jezus

Dat Jezus Christus de straten van Nazareth bewandelde, valt onmogelijk te bewijzen. Alle bewijs dat daarvoor bestaat komt uit tweede of zelfs derde hand. Het is een kwestie van geloof. Hetzelfde geldt voor Socrates. Er is geen enkel bewijs dat deze bescheiden man ooit in zijn sobere mantel door Athene zwierf op zoek naar de waarheid. Laten we nu, voor de discussie, even aannemen dat we het graf van Jezus kunnen openen, dat we daar zijn lichaam vinden en op die manier de wederopstanding kunnen weerleggen.

Laten we voor de discussie even aannemen dat dit archeologisch mogelijk is. We mogen dan aannemen dat de gevolgen voor christenen desastreus zouden zijn. Dan zullen de mensen die diep religieus in het leven staan alle grip op de realiteit verliezen. Dan zijn ze dus alleen in dit universum, is er geen leven na dit leven, is er geen alwetende verteller die over hen waakt en weten ze niet meer wat goed en fout is.

Bij Socrates ligt dit anders. Zijn fysieke bestaan is ondergeschikt aan de morele dilemma’s en ethische problemen die hij behandelt en de oplossingen en antwoorden die hij daarvoor vindt, zouden exact hetzelfde zijn.

Het zou niks veranderen aan hoe wij met elkaar omgaan, hoe we een goede samenleving vorm kunnen geven, hoe we moeten denken om ‘goede’ mensen te zijn en hoe we kunnen omgaan met het feit dat er misschien wel helemaal geen God bestaat. Wat we dus het beste zouden kunnen doen is het mythische en het bijgeloof overstijgen en zelf de verantwoordelijkheid nemen voor onze eigen acties.

Interessante hypothese dacht ik zo. Interessant maar onmogelijk falsifieerbaar. Een hypothese die ik niet onderbouwen kan omdat ik er zelf niet bij ben geweest maar fuck it. Zoals Albert Einstein al zei: “verbeelding en fantasie zijn vele malen belangrijker dan kennis.”

EinsteinLSD

Albert Einstein