Monthly Archives: April 2015

tr-navelpluis-090307

De dood van Giacomo Marters

“Het leven is te kort om met lelijke vrouwen te dansen”, mompelde ik binnensmonds terwijl ik naar de blondine naast me keek, mijn wodka opdronk en dacht: schijt aan.

Echt lelijk was ze niet maar ze zou geen volle zalen meer trekken of wedstrijden winnen met haar schoonheid. Haar gezicht was symmetrisch, ze had zo’n Madonnapukkel boven haar lip en kuiltjes in haar wangen. Haar lichtblonde haar was nog lang en hing in regelmatige krullen tot over haar schouders en haar amandel-vormige ogen waren donkerbruin van kleur. Haar neus was wat aan de grote kant en de tijd had diepe krassen getrokken in haar huid maar deze mevrouw was vroeger een mooi meisje geweest. Dat moet haast wel.

De glanzende onschuld, die zo kenmerkend is voor jonge meisjes, was er in de loop der jaren door lompe minnaars genadeloos vanaf geneukt maar ze vocht nog altijd dapper door met de haar door God gegeven wapens; een volle B-bibs en grote tieten.

Door het diepe decolleté van haar te korte jurkje lagen haar tieten halfbloot als witte knollen op de bar te wachten tot ik er mee zou gaan worstelen. Ik nam me voor om later haar beha aan te houden want dan wist ik zeker dat haar tieten niet in de weg zouden gaan hangen. Daar waren ze groot genoeg voor.

Ik kende haar naam niet maar haar reputatie wel. Ze zat vaker aan de bar van dit donkere café bij het spoor en liet zich trakteren door wanhopige mannen die hoopten hun kwakje in haar te mogen lozen.

De oudere kerels van het dorp hadden me verzekerd dat de blondine aan de bar alles neukt wat een lul heeft en de wodka maakte haar steeds begeerlijker. Mijn ballen waren zwaar en de alcohol maakte ze steeds zwaarder. De psychopathische zenuwtrek bij haar linkeroog ontging me volledig toen ik haar aansprak.

“Wil je iets van me drinken?” Brabbelde ik met dubbele tong terwijl ik steun zocht bij de bar. Ze giechelde en deed een plukje blond haar achter haar oor terwijl ze verlegen naar beneden keek. Het waren kleine gebaartjes die jonge meisjes aandoenlijk maakte maar bij deze belegen blondine was het meer grotesk dan vertederend. Ze knikte en met een simpel handgebaar liet ik de norse barman haar glas vullen met de zoete likeur waar ze hele avonden van nipte. Ik kreeg nog een glas wodka en ze kwam vlak naast me staan. Ik kon haar ruiken. De dikke wolk parfum in combinatie met de zoete likeur en de oude rook van zelfgedraaide filtersigaretten, deden mijn hersens op onnavolgbare wijze een halve meter naar beneden zakken.

“Heb je een vuurtje voor me?” Ze klonk een beetje hees en liet de sigaret zweven tussen haar wijs- en middelvinger. Ik klapte mijn Zippo open, stak haar sigaret aan en nam er zelf ook eentje. Clichévragen als ´kom je hier vaker´ of ´kennen wij elkaar niet ergens van´, zouden slaan als een lul op een drumstel maar ik hoefde ook niet de goede vragen te stellen om haar dadelijk heel vies te mogen neuken. Ik zag de goedkope geilheid in haar ogen. Ze had de beslissing al genomen en ik dronk tevreden mijn wodka.

Haar gezicht was dof van de dikke laag make-up waarmee ze poogde haar aftakeling te verbergen. Normaal gezien was dit geen vrouw waar ik heel erg warm van zou worden en hoewel ik dacht dat de tijd dat ik met walging en schaamte wakker werd in een vreemd bed achter me lag, de wodka dacht daar heel anders over. Het had een hartslag, het was nog warm en het diende geneukt te worden want mijn dronken ballen waren zwaar. Dat ik de chlamydia en de gonorroe bijna kon ruiken, maakte niet meer uit.

Twee sigaretten later vroeg ze of ik met haar mee naar huis wilde lopen want ze woonde in het bos en durfde niet alleen. Ik rekende af en liep achter haar dikke reet aan naar buiten. We staken het spoor over en liepen het donkere bos in. Haar huis lag goed verstopt op een plek waar niemand mijn geschreeuw zou kunnen horen.

De stank in haar kleine huisje was dik en zwaar. De ramen waren dichtgespijkerd, de houten kozijnen rot en het behang hing los van de muren. Er stonden een paar oude leren banken op een vies tapijt in de woonkamer en in de hoek stond haar bed.

We werden begroet door een magere, grijze naaktkat met een blauw oog en een bruin oog. Het was geen hartelijke begroeting want het beest blies naar me en werd zonder pardon terug naar binnen geschopt waar hij meteen in zijn mand bij de kachel kroop en me vanaf die plek aan bleef staren alsof ik eetbaar was.

De blondine liet er geen gras over groeien en duwde me op de bank waarna ze op mijn schoot klom en haar tong in mijn mond stak. De zoete likeur maakte haar kussen smerig en ik slikte een zure oprisping terug richting mijn maag. Ze trok mijn shirt uit en stak haar vinger in mijn navel waardoor ik stopte met zoenen.
“Wat ben je aan het doen?”
“Ik ben jouw navelpluis aan het delven.”
“Waarom?”
“Daar maak ik kussentjes van.”
“Wat?”
“Ik maak kussentjes van navelpluis.”
“Waarom?”
“De kussentjes van navelpluis beschermen me tegen nachtmerries.”
Nu had ik in mijn leven veel onzinverhalen gehoord maar deze kwam met stip in de top tien. Ik probeerde in te schatten of ze me in de zeik nam maar ze leek me niet te zien. Ze hield haar hoofd een beetje scheef en keek met grote ogen dwars door me heen. Ik wilde ineens heel graag weg.
“Misschien is het beter als ik ga,” stelde ik voor en probeerde wanhopig de angstige trilling in mijn stem te onderdrukken.
“Je weet niet wat je mist Giacomo.”
Ze fluisterde mijn naam in mijn oor, deed haar slip opzij en liet mijn halfslappe lul in haar verdwijnen waar hij schoksgewijs harder werd. Ik greep haar dikke reet met beide handen beet en stuiterde haar op en neer waardoor ze harder begon te gillen. Ik tilde haar op, negeerde een pijnscheut in mijn onderrug want ik ben blijkbaar ook geen achttien meer, en legde haar wijdbeens op de bank. Haar slip scheurde ik tussen haar benen uit en ik ging op mijn knieën voor haar zitten alsof ik ging bidden. Meteen pakte ze mijn hoofd en drukte mijn gezicht in haar kruis. Het haar op haar kut was licht van kleur en prikte in mijn gezicht. Mijn ogen traanden door de zure lucht en ze duwde mijn bakkes zo hard tegen haar schaambeen dat ik dacht dat ik zou stikken.

Met veel moeite worstelde ik me los uit haar verwurging en stak ‘em er weer in. Ze omklemde me met haar benen en sloeg me met haar vlakke hand in mijn gezicht om me aan te moedigen haar harder te neuken maar ik neukte haar al zo hard als mijn dronken lul me dragen kon.

Haar gekreun was spottend. Ze was niet onder de indruk. Deze blonde madam had alles al gezien en alles al gedaan. Ze trok met haar nagels diepe sporen in mijn rug en billen. Ze probeerde me te zoenen maar ik kreeg zure oprispingen van de zoete likeur die ze gedronken had dus deed ik enkel mijn best om haar zo snel mogelijk vol te blaffen.

Toen ik klaar was wilde ik dit liefdeloze samenzijn achter me laten. Ze vroeg of ik nog wat wilde drinken voor ik ging. Ze had alleen die ranzige zoete likeur en iets dat op zelfgestookte jenever moest lijken. Ik koos voor de jenever. De blondine stond op, trok haar jurkje over haar dikke reet en liep naar de kleine keuken om een glas alcohol voor me in te schenken. Ik trok mijn broek weer omhoog, mijn shirt weer aan en stak een sigaret op.

Ze kwam glimlachend terug de kamer in en maakte een opmerking over mijn hoffelijkheid omdat ik voor haar geen sigaret aangestoken had. Ik gaf haar de mijne en nam een slok van het drankje. Nu ben ik door mijn strenge dieet van wodka, wodka en wodka wel wat gewend maar dit was raketbrandstof. Ik werd licht in mijn hoofd en de kleine woonkamer begon te draaien. Mijn hart sloeg steeds langzamer en ik voelde hoe ik afgleed in een eindeloze duisternis. Het laatste dat ik zag voor ik in een droomloze slaap viel was de blondine die rustig mijn sigaret rookte en van haar likeur nipte. Ze glimlachte, zwaaide met haar vingers naar me zoals alleen vrouwen dat doen en fluisterde de reden dat ze me vermoordde zonder dat iemand haar kon horen.

“Je had geen navelpluis meer mooie jongen.”

Serene

Lavendel en Jasmijn

Al dagen is het veel te warm voor de tijd van het jaar. De verzengende hitte legt een klamme deken van trillende lucht over mijn lelijke industriestad, en laat haar scheve daken glanzen in de zon. Mensen op straat vluchten in slow motion naar een plek achter gesloten jaloezieën waar de schaduw en de airconditioning het leven enigszins dragelijk maken.

Mijn ziel is rusteloos en zoekt een thuis maar zelfs voor de gedachte aan deze expeditie is het veel te warm. De zon verlamt mijn overpeinzingen en een zweetdruppel zoekt zijn weg tussen mijn schouderbladen, over mijn rug, naar mijn bilnaad. De druppel is alleen maar een willoze slaaf van de zwaartekracht zoals wij op de eerste plaats slechts een dienaar zijn van de allesoverheersende drang om liefde te vinden.

We willen allemaal verliefd zijn en gemist worden en zijn daarom altijd op zoek naar eeuwigdurende liefde. We verlangen naar een symbiotische alliantie waarbij de som der delen groter is dan het geheel om onze eenzaamheid te verjagen. We willen hartstocht en passie en hunkeren naar de ongrijpbare sensatie die al eeuwen bezongen wordt en altijd dichtbij lijkt.

Maar als we dan ten langen leste dat Delfische gevoel vinden, gaan we klungelen, aarzelen en stotteren. Dan worden we bang, jaloers en onzeker. We vergiftigen de vlinders en laten het vluchtige sentiment weer ontsnappen zodat we weer alleen en onbemind zijn.

Ik zit in een park onder een boom en zie een stukje verder in het gras een mooi meisje dat een kettinkje maakt van madeliefjes. Haar lange blonde haar glanst in de zon en terwijl ik naar haar kijk, sterft de drukte van de stad langzaam weg. Het meisje draagt een lichtblauw zomerjurkje met blote schouders en een Esschereske opdruk die speelt met dimensies, met perspectieven en met eindigheid.

Ze is alleen in haar eigen wereld en heeft enkel oog voor haar kettinkje. Als ze even opkijkt, vang ik haar blik met de mijne en in een moment van stilte wordt de nietszeggende vluchtigheid overstegen. Heel even is ze van mij maar ik voel dat ze dat niet wil. Ze schrikt van mijn aanwezigheid in haar wereldje en het mooie meisje in het gras duwt me weg. Ze concentreert zich weer op haar kettinkje van bloemen om zo geen antwoord te hoeven geven op de vragen die ik niet stel.

Ik steek een sigaret op om de tijd te doden want pas als de tijd gestorven is, kunnen we de hitte van de dag verjagen. Pas dan kunnen we alles loslaten en samen zwerven naar maan en sterren. Nu nog niet. Misschien later. We moeten wachten tot de avond valt en hoeven haar niet te laten struikelen want zij valt gewoon.

Ik hoor de stem van het mooie meisje in het gras zonder dat ik weet hoe zij klinkt.

“Je bent vast zo’n type dat aan mijn tenen wil sabbelen.”

Ze klinkt stellig maar niet onvriendelijk en heeft het mis. Ik heb geen fetisj voor voeten en schud langzaam mijn hoofd. “Waar houd je dan wel van?” Ze heeft een ondeugende twinkeling in haar stem en ik aarzel want ik word een beetje overrompeld door haar brutaliteit maar herpak mezelf snel.

“Ik wil met je tongzoenen.”
“Waarom wil je dat?”
“Omdat je je dan niet kunt verstoppen.”

Ons korte gesprek vervliegt in de hitte en mijn wens galmt na. We zijn samen alleen. Voor mijn laatste ware liefde was deze eenzaamheid mijn ultieme weelde maar nu moet de donkere leegte die zij achterliet in de kern van mijn ziel ingekleurd worden en mis ik het mooie meisje in het gras zonder dat ik weet wie zij is.

Mijn overpeinzingen worden onderbroken door drie eenden die kwakend vechten. Twee mannetjes vechten om een vrouwtje zoals het altijd gaat in de natuur. Het enige dat beesten doen is vechten, eten en neuken. Ook het mooie meisje in het gras volgt het gekwaak en laat haar kettinkje even voor wat het is. De eenden vechten elkaar het water in waar zij enigszins tot rust lijken te komen. Ik zoek weer contact met haar en hoop dat ze weer met me gaat praten maar ze heeft zich teruggetrokken achter een muurtje waar niemand haar raken kan en ze zwijgt.

Naast me zit een otter. Een otter die kan jongleren met kiezelsteentjes of tennisballen als ik dat zou willen maar hij heeft het ook warm dus dat hoeft niet. In ruil voor voedsel en vermaak is hij mijn vriend. Mijn geweten. Hij is mijn trouwe bondgenoot die niet oordeelt en fluistert wat ik moet zeggen om geen flater te slaan als ik probeer te flirten maar het mooie meisje in het gras hoort me toch niet. Ze hoort me niet omdat ze me niet wil horen dus richt de otter zich tot mij.

“Je bent een Einzelgänger die niet alleen kan zijn.”

De otter klinkt een beetje spottend en ik kijk hem aan. Hij zet zijn veel te dure Ray-Ban zonnebril af en herhaalt wat hij tegen me zei.

“Je bent een Einzelgänger die niet alleen kan zijn.”

Natuurlijk begrijp ik wat hij bedoelt want ik ken mezelf. Ik verlang heel literair naar eenzaamheid tot ik diagonaal in mijn tweepersoonsbed lig. Dan verlang ik naar het oprechte gezelschap van mijn laatste ware liefde of desnoods van het mooie meisje in het gras. Dan wil ik dat iemand tegen me aan kruipt zodat ik haar kan vertellen dat ze veilig is bij mij.

De zon laat nog steeds haar spierballen zien en brandt meedogenloos een gat in mijn gedachten. In haar diepste wezen is het mooie meisje in het gras eenzaam net als ik. Ze houdt mensen op afstand en dat doe ik ook. Wie haar nadert, zal verbranden maar ik ben niet bang. Ik heb alle hoop al laten varen na mijn laatste reis.

Alsof zij hoort dat ik niet bang ben om te branden, stelt ze die onvermijdelijke vraag. “Ben je wel ergens bang voor?” Ze stelt de vraag zonder me aan te kijken. “Ik was vroeger bang om dood te gaan.” “Ben je dat nu niet meer?” “Na mijn laatste reis niet meer.” Ik laat een moment van stilte vallen en toon me kwetsbaar. “Ik ben bang om bang te zijn.” Ze laat mijn woorden op haar inwerken en gaat weer verder met het kettinkje van bloemen.

Omdat ik niet goed weet wat ik zeggen moet, kijk ik vragend naar de otter die naast me tegen de boom hangt en zichtbaar geniet van het warme weer. Hij helpt me niet maar begint te zingen. Het lied, Keep on loving you van REO Speedwagon, brengt me direct terug naar die ene plek en naar die ene avond. Ik ben weer bij een ontmoeting met mijn laatste ware liefde. De herinnering aan haar was aan het vervagen zoals herinneringen altijd doen want tijd heelt alle wonden. De reminiscenties vervagen wel maar verdwijnen doen ze nooit en een geur, een kleur of een melodie kunnen me in een flits terug brengen naar een tijd die reeds lang vervlogen is.

Ik had de gedachte aan mijn laatste ware liefde weg willen snuiven en de flarden die bleven hangen probeerde ik nog steeds uit alle macht te verzuipen in een zee van wodka maar die ene zin uit dat ene liedje bewees dat ze, hoewel verstopt in een donker hoekje van mijn brein, nog altijd springlevend was.

When I said that I love you I meant that I’d love you forever.

De belofte aan een liefde die nooit sterft is natuurlijk een sprookje maar dit onnozele waanidee brengt haar even terug in het stralende middelpunt. Ze zit weer naast me aan de bar met haar benen op mijn schoot en komt steeds dichterbij tot ze haar hoofd op mijn borst rust en ik haar warmte voel. Ze huilt zachtjes en ik aai over haar rug om haar te troosten. Ze ruikt naar Lavendel en Jasmijn en ik geef kleine kusjes op haar prachtige lange haar terwijl ik haar dichter en dichter tegen me aan druk. Ik wil haar nooit meer loslaten en de schoonheid van dit eeuwigdurende moment vastleggen.

Dit is mijn liefde. In al haar wispelturige en angstige onvoorspelbaarheid is dit wat ik wil. We dansen naakt in het schemerduister. Een afzichtelijke professor met een groteske neus speelt prachtig luchtpiano in een kamer die slechts verlicht wordt door kaarsen.

Alle meisjes zijn mooi maar zij is mooier. Alle meisjes ruiken fijn maar zij ruikt fijner. Alle meisjes zijn zacht maar zij is zachter. Iedere herinnering aan wat ik ooit omschreef als liefde verbleekt bij dit moment. We kijken elkaar met natte ogen aan en ze gaat op het puntje van haar tenen staan om met me te zoenen.

Ik houd haar hoofd in mijn grote handen en zij legt liefdevol haar handen op de mijne terwijl onze tongen elkaar vinden in hun vertrouwde dans die een overweldigend verlangen aanwakkert. We zijn samen alleen. Ik zie dat ze me mist en lieg dat het goed komt allemaal.

I am gonna keep on loving you because it’s the only thing I want to do.

Onze liefde is heftig en intens en daarom gedoemd om op te branden maar iets anders dan intense en onvoorwaardelijke overgave is niet de moeite waard. Dat is geen liefde maar een slap aftreksel waar laffe mensen genoegen mee nemen. Mijn laatste ware liefde was beducht voor mijn overweldigende intensiteit en loste plotseling op in het niets. Ze liet me los en ik viel. Ik bleef vallen. Ik val nog steeds.

Het is dwaas om van een bange vrouw te houden maar liefde is zinloos en doet pijn. Liefde is doof voor ratio en liefde kent geen logica.  Als mijn laatste ware liefde de blinde sprong van vertrouwen niet durft de maken omdat zij niet gelooft in wat er kan groeien, is het onverstandig om zelf wel te springen. Blind springen doe je samen anders is het geen liefde maar is het masturbatie.

De herinnering aan een liefde die niet was wordt nu langzaam vervangen door een droom die niet mag worden want het mooie meisje in het gras is ook bang voor complexe emoties en overweldigende gevoelens en die angst is doorgaans maar een hele matige raadgever dus haast ik mij langzaam weg van haar.

De otter slentert met me mee.

“Ik wil sterven met herinneringen aan liefde en niet met onvervulde dromen vriend.”

Hij kijkt me aan over zijn exorbitant dure zonnebril en zwijgt. Zelfs in zijn stilte is hij cynisch. Ik ga verder.

“Ik wil leven en liefhebben alsof morgen niet bestaat. Trillend op mijn benen wil ik naakt dansen bij kaarslicht. Ik wil nog steeds mijn laatste ware liefde beminnen en met haar verdwalen in het leven. Ik wil helemaal niet bezig zijn met mooie vreemdelingen die kettinkjes maken van fucking Madeliefjes.”

De otter schudt zijn bijdehante bakkes en denkt er duidelijk het zijne van. Hij luistert al maanden naar mijn eindeloze emogezeik over liefde en wordt moe van het cirkeltje waar ik maar niet uit wens te komen. Ik bazel verder tegen mijn sympathieke vriend.

“In haar ziel is waar ik sluimer en ontheven van de vluchtigheid der dromen zal zij mij wakend niet vergeten. Zij is mijn ene ware liefde. Zij is de liefde die alle andere liefdes doet vervagen. Ik weet zeker dat niemand ooit van haar zal houden zoals ik dat doe. Mijn ogen zijn geopend en de zegening van de onwetenden is een leugen. Ik word zelfs heel erg droevig van kille cynici die uiteindelijk genoegen nemen met minder en vervolgens proclameren dat ware liefde niet bestaat.”

De otter kijkt omhoog, schraapt zijn keel en dient me dan eindelijk van wat goedbedoelde repliek.

“Ik snap jou niet. Je hart lag in honderdduizend stukken toen ze plotseling verdween en nog steeds geloof je in ware liefde. Je gelooft zelfs nog steeds dat zij jouw ware liefde is. Hoe kan dat? Je bent een rationeel, weldenkend en intelligent mens en toch geloof je in sprookjes en blijf je hangen tussen flarden van vroeger. Waarom?”

“Het vinden van ware liefde is statistisch onwaarschijnlijk maar niet onmogelijk vriend. Ik moet geloven dat ware liefde bestaat. Ik kan niet leven zonder de overtuiging dat ons meest intieme samenzijn precies was waar Shakespeare al over fantaseerde.”

De otter denkt na over wat ik zei en om het laatste woord te hebben, schopt hij mompelend een open deur in.

“Je bent een hopeloze romanticus en strijdt een strijd die je niet winnen kunt.“

Hij heeft gelijk. Natuurlijk heeft hij gelijk. Hij heeft altijd gelijk want cynisme heeft altijd een kern van waarheid maar ik kan en wil me er niet bij neerleggen. Niets in dit leven dat de moeite waard is, is eenvoudig. Als iets de eerste keer niet lukt, moet je het gewoon nog een keer proberen. Toen je leerde lopen, stopte je ook niet na je eerste valpartij en je stopte na je eerste smak ook niet met fietsen… Of met zoenen.

Al die liedjes, die films, die gedichten en die toneelstukken over dat vage concept dat wij liefde noemen moeten ergens op gebaseerd zijn. Ze zoeken naar de juiste woorden om een gevoel aan te spreken dat iedereen doet smachten naar die hemelse verslaving. Ze spreken allemaal van een sensatie waar we niet zonder kunnen en ook dat ene liedje van REO Speedwagon raakt precies diezelfde snaar.

I don’t want to sleep. I just want to keep on loving you. 

 

© LSD 2015